BAC 2025-16897
Publicatiedatum 06-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 4 september 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 8 mei 2026 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 4 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit van 4 september 2023 met kenmerk UHT-DCH in stand te laten. De Commissie adviseert voorts om geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 4 september 2023 met kenmerk UHT-DCH (hierna onder meer: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van € 39.851 voor de toeslagjaren 2009, 2011 tot en met 2013 en de periode januari tot en met november 2014 op grond van vooringenomenheid. Voor de toeslagjaren 2008, 2010 en december 2014 bestaat geen recht op een compensatie of tegemoetkoming.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 19 augustus 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2008 tot en met 2014.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 25 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2008, 2010 en december 2014.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 39.851 voor de toeslagjaren 2009, 2011 tot en met 2013 en de periode januari tot en met november 2014 op grond van vooringenomenheid. Voor de toeslagjaren 2008, 2010 en december 2014 bestaat geen recht op een compensatie of tegemoetkoming.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 april 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 15 december 2025 schriftelijk gereageerd.
- Op 8 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Inzage onderliggende dossier
Belanghebbende heeft verzocht om inzage in het onderliggende dossier.
De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 19 februari 2026 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting.
Beoordeling toeslagjaren 2008 tot en met 2014
De Commissie ziet zich, mede gelet op de nadere precisering van het bezwaar ter zitting, inhoudende dat de toeslagjaren 2009 tot en met 2014 niet langer in geschil zijn, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT, terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor het toeslagjaar 2008, af te wijzen.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2008
Belanghebbende kan zich niet verenigen met de afwijzing van compensatie voor het toeslagjaar 2008. Zij stelt primair dat sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T, omdat de KOT ten onrechte op nihil is gesteld.
Volgens belanghebbende is zij onvoldoende in de gelegenheid gesteld om haar aanspraak op KOT aannemelijk te maken, terwijl B/T bovendien op basis van de reeds beschikbare gegevens had kunnen weten dat zij recht had op KOT.
Subsidiair beroept belanghebbende zich op compensatie wegens hardheid van het stelsel, nu volgens haar slechts sprake was van een beperkte formele tekortkoming, terwijl de gevolgen daarvan hebben geleid tot een aanzienlijke terugvordering.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van vooringenomenheid van B/T dan wel van hardheid van het stelsel.
De Commissie stelt op grond van het dossier vast dat de KOT over het toeslagjaar 2008 tweemaal neerwaarts is bijgesteld. De eerste neerwaartse bijstelling hield verband met een verlaging van het gehanteerde uurtarief en een verhoging van het toetsingsinkomen. Dit betrof aldus een reguliere wijziging. De tweede neerwaartse bijstelling betrof de nihilstelling van de KOT bij voorschotbeschikking van
10 februari 2011. Uit het dossier blijkt dat belanghebbende naar aanleiding van een verzoek van B/T op 3 december 2009 een antwoordformulier heeft geretourneerd. Omdat daarbij geen jaaropgave was overgelegd, heeft B/T belanghebbende bij brief van 5 november 2010 geïnformeerd dat de gegevens bij het antwoordformulier niet compleet waren en verzocht de nadere ontbrekende informatie te verstrekken. Nadat een reactie daarop uitbleef, heeft B/T bij brief van 9 februari 2011 meegedeeld dat onvoldoende gegevens beschikbaar waren om het recht op KOT vast te stellen, waarna de KOT op nihil is gesteld. De Commissie is van opvatting dat belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar aanspraak op KOT aannemelijk te maken alvorens B/T tot nihilstelling is overgegaan. B/T was immers niet gehouden om na de brief van 5 november 2010 nogmaals een herinnering te sturen. Nadat belanghebbende in bezwaar alsnog de jaaropgave had overgelegd, heeft B/T bij definitieve beschikking van 26 april 2011 de KOT over het toeslagjaar 2008 alsnog toegekend.
Gelet op het voorgaande is de Commissie van mening dat de gang van zaken geen blijk geeft van vooringenomen handelen of nalaten door B/T jegens belanghebbende. Evenmin zijn aanwijzingen gevonden voor hardheid als bedoeld in de Wht, noch voor een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld over dit toeslagjaar. De Commissie zal daarom UHT adviseren het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Niet beoordeelde toeslagjaren
UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing aangegeven dat voor de toeslagjaren 2006 en 2007 sprake was van een KOT-aanvraag door belanghebbende.
In dat kader heeft UHT meegedeeld dat herbeoordeling van die jaren alsnog zal plaatsvinden en dat het verzoek daartoe reeds is doorgezet naar de desbetreffende afdeling.
De Commissie stelt op grond van het dossier vast dat eveneens voor het toeslagjaar 2005 sprake was van een KOT-aanvraag door belanghebbende.
De Commissie geeft UHT in overweging nu ook vorengenoemde twee jaren waartegen geen gronden waren gericht worden herbeoordeeld ook het toeslagjaar 2005 bij deze herbeoordeling te betrekken.
De Commissie adviseert UHT om, zodra de herbeoordeling van de toeslagjaren 2005 tot en met 2007 heeft plaatsgevonden, voorafgaande aan de te nemen beslissing op bezwaar belanghebbende en haar gemachtigde door middel van een schriftelijke vooraankondiging op de hoogte te stellen van de bevindingen bij de heroverweging en belanghebbende en haar gemachtigde in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van deze bezwaarprocedure. Aangezien de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, zal adviseren het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit dus niet te herroepen, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie en advies
Samengevat adviseert de Commissie UHT om:
- het bezwaar tegen het bestreden besluit ongegrond te verklaren en het besluit in stand te laten;
- een herbeoordeling voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2007 te bewerkstelligen;
- geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter