BAC 2022-10879
Publicatiedatum 06-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 20 oktober 2022 (UHT-DC I A, UHT-DH5 A)
Overdracht advies aan UHT: 3 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag (de bestreden besluiten).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 tot en met 2010.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden besluiten geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 4 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006 tot en met 2011. UHT heeft in overleg met belanghebbende de jaren 2008 tot en met 2010 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij beschikking van 3 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling en dat de integrale beoordeling in gang wordt gezet.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 25 juli 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat UHT zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatie-regeling van artikel 2.1, eerste lid, Wht niet van toepassing is voor de jaren 2008 tot en met 2010.
- UHT heeft bij de bestreden besluiten aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2010.
- Gemachtigde heeft op 29 november 2022 tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT DC-I A een bezwaarschrift ingediend. Gezien de inhoud van het bezwaar moet het mede gericht worden geacht tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT DH5 A.
- UHT heeft op 15 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 10 mei 2026 namens belanghebbende te kennen gegeven dat wordt afgezien van het recht om gehoord te worden, en verzocht advies af te geven op de stukken.
- Gemachtigde heeft op 10 mei 2026 het bezwaar schriftelijk aangevuld.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 af te wijzen.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat de bestreden besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen.
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken
- waaronder een uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijke Incasso Centrum (LIC) - en de overige producties, kan naar het oordeel van de Commissie niet meer gezegd worden dat de bestreden besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen.
Onvolledig dossier/persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.
De Commissie volgt het standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen zijn op 5 februari 2026 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom dat deze bezwaargrond niet tot gegrondheid van het bezwaar kan leiden.
Toeslagjaren 2008 tot en met 2010
Belanghebbende voert aan dat zij ten onrechte niet over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 is gecompenseerd. UHT stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de neerwaartse wijzigingen over de respectieve toeslagjaren sprake is geweest van vooringenomen handelen door Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Volgens UHT komt belanghebbende echter niet in aanmerking voor compensatie omdat in haar geval sprake is van evident geen recht op KOT. Dit omdat de gastouder niet stond ingeschreven bij een erkend gastouderbureau en daarom geen sprake was van geregistreerde kinderopvang.
De Commissie overweegt als volgt. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich in casu voor nu belanghebbende over de respectieve toeslagjaren geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft dit niet betwist en heeft blijkens het informatie- en beoordelingsformulier desgevraagd toegelicht dat haar zus de desbetreffende gastouder was. De Commissie kan UHT volgen in haar ingenomen standpunt dat sprake is van evident geen recht op KOT.
Belanghebbende heeft nog betoogd dat B/T over de jaren 2008 tot en met 2010 bekend was met het feit dat geen erkend gastouderbureau bij de opvang betrokken was. Volgens belanghebbende is over de desbetreffende toeslagjaren veelvuldig met B/T gecommuniceerd over de situatie van belanghebbende en hoe de opvang geregeld was. Belanghebbende stelt dat dientengevolge bij haar het vertrouwen gewekt was dat zij recht had op KOT, en dat zij desondanks is geconfronteerd met terugvorderingen. Volgens belanghebbende is daarmee sprake van hardheid van het stelsel.
De Commissie overweegt het volgende. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State (Raad van State 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694) moet voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel allereerst aannemelijk worden gemaakt dat van de kant van het bestuursorgaan toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit een belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen, en zo ja hoe.
De Commissie overweegt dat uit de voorhanden zijnde stukken niet blijkt dat door B/T toezeggingen zijn gedaan waarmee bij belanghebbende het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat zij in aanmerking kwam voor KOT. De enkele – niet nader onderbouwde - stelling van belanghebbende dat met B/T gecommuniceerd is over hoe de opvang geregeld was, acht de Commissie onvoldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van door B/T gedane toezeggingen die in de weg zouden staan aan de toerekenbaarheid van de genoemde ernstige onregelmatigheden aan belanghebbende. Aan een beoordeling van het causaal verband tussen de schade en de gestelde onregelmatigheid, komt de Commissie daarom niet toe.
De conclusie is dat de Commissie niet aannemelijk acht geworden dat belanghebbende over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang en dat UHT op goede gronden heeft gesteld dat sprake is van evident geen recht. Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan in dit kader ook niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden. Belanghebbende komt voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de bestreden besluiten te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden besluiten in stand te laten.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter