Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15842

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 8 juli 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 12 mei 2026

Overdracht advies aan UHT: 22 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

De gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 juli 2024 (hierna: het bestreden besluit) waarbij belanghebbende is meegedeeld:

  • dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2005 tot en met 2019 niet is gebleken van fouten en dat belanghebbende daarom niet in aanmerking komt voor compensatie.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • Bij brief van 9 januari 2023 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader van de eerste toets, vooralsnog geen recht heeft op een betaling van € 30.000.
  • Op 30 mei 2024 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) haar beoordeling kenbaar gemaakt. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2019 geen compensatieregeling van toepassing is.
  • Op 8 juli 2024 is het bestreden besluit genomen.
  • Bij brief van 17 augustus 2024 heeft gemachtigde tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
  • Op 15 juli 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 12 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Gesteld maar onvoldoende is onderbouwd waarom het bestreden besluit in strijd zou zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarvan is de Commissie overigens ook niet gebleken. Daarom adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Herbeoordeelde toeslagjaren
De KOT voor 2007 is aanvankelijk nihil beschikt wegens non-response van belanghebbende. Nadat belanghebbende hiertegen in bezwaar is gegaan, is haar recht op KOT definitief vastgesteld op € 6.524 conform de (toentertijd in bezwaar) overgelegde jaaropgave.

De KOT voor 2008 is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van een stopzetting door (of namens) belanghebbende. De Commissie heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de productie waaruit dit blijkt.

Met betrekking tot de toeslagjaren 2005, 2006, 2009 tot en met 2017, 2018 en 2019 is niet gebleken dat er KOT is aangevraagd of er hebben geen neerwaartse correcties plaatsgevonden. Compensatie is in dat geval, in beginsel, niet aan de orde.

De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast.

Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar ongegrond te verklaren
  • en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter