Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16530

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 6 december 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 22 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 december 2023 waarbij belanghebbende is meegedeeld:

-    dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 niet is gebleken van fouten en dat belanghebbende daarom geen recht heeft op compensatie.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • Belanghebbende heeft, in het kader van de eerste toets, geen betaling ontvangen van € 30.000.
  • Op 24 november 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) haar oordeel kenbaar gemaakt. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 geen compensatieregeling van toepassing is.
  • Bij brief van 6 december 2023 is het bestreden besluit meegedeeld aan belanghebbende.
  • Hiertegen heeft gemachtigde bezwaar gemaakt op 16 januari 2024.  
  • Op 28 augustus 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 21 april 2026 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
  • In de e-mail van 18 december 2025 van de Commissie heeft de Commissie gemachtigde onder meer voorgehouden dat zij vanaf oktober 2025 in alle door haar aangespannen bezwaarschriftenprocedures betreffende integrale beoordelingen – om redenen van meer zaaks overstijgende aard – heeft afgezien van het recht om te worden gehoord. De Commissie heeft om misverstanden uit te sluiten gemachtigde verzocht om aan te geven of ook in deze procedure wordt afgezien van het recht te worden gehoord. Bij dit verzoek is gemachtigde ook in de gelegenheid gesteld nadere bezwaargronden en/of stukken in te dienen. Kort samengevat heeft de Commissie in deze e-mail voorts meegedeeld dat indien geen hoorzitting wordt gewenst en binnen de gegeven termijn geen gebruik is gemaakt van de hiervoor genoemde mogelijkheid nadere stukken in te dienen de Commissie tot advisering zal overgaan.
  • Gemachtigde heeft aangegeven dat belanghebbende ervan afziet te worden gehoord op het bezwaarschrift. De Commissie ziet, op grond van artikel 7:3, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), daarom af van het horen van belanghebbende.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet is geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De waarde van hoor en wederhoor
De Commissie constateert dat de belanghebbende blijkens het gestelde op de eerste bladzijden van de aanvullende beschouwing van de gemachtigde over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de BAC. Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke discussie over het verschil van opvatting. De BAC volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de BAC, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriftenadviescommissie Hersteloperatie Toeslagen.

Uitstelverzoeken
De Commissie heeft voorts kennisgenomen van de passages uit de aanvullende beschouwing van de gemachtigde van belanghebbende over de planning van de (zeer vele) bezwaarprocedures bij de BAC waarin zij als gemachtigde optreedt.
De BAC merkt op dat er overleg met de gemachtigde heeft plaatsgevonden.
Op 15 februari 2026 heeft de gemachtigde laten weten dat het bij een welwillende houding van de BAC ten aanzien van eventuele uitstelverzoeken goed zou moeten komen. Op 19 februari 2026 heeft de BAC gesteld dat binnen redelijke grenzen incidentele uitstelverzoeken inderdaad niet zonder welwillendheid worden bezien.

Dossier
De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Met de in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken, is (thans) geen sprake van strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel.
De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit kan onbeantwoord blijven, nu één en ander niet leidt tot het herroepen ervan.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Onderliggende stukken O/GS-beoordeling
Gemachtigde verzoekt om alle O/GS-stukken. Zij acht deze stukken van groot belang om een volledige beoordeling te kunnen maken. Belanghebbende wordt in haar procesbelang geschaad doordat zij niet over de O/GS-stukken beschikt.

De Commissie is van oordeel dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling.
De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de beoordeling van opzet of grove schuld. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:15451. Daarom adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de beoordeling van opzet of grove schuld en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Artikel 19 Awir
Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.

Omissies / niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie O/GS. De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Herbeoordeelde toeslagjaren
De KOT voor 2009 en 2010 is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van een gewijzigd toetsingsinkomen en een stopzetting door (of namens) belanghebbende (productie 93). De Commissie heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de producties waaruit dit blijkt.
Met betrekking tot toeslagjaar 2008 hebben er geen neerwaartse correcties plaatsgevonden. Compensatie is in dat geval, in beginsel, niet aan de orde.
Dat het definitieve recht op KOT voor 2008 pas in 2014 (opwaarts) is vastgesteld, doet hieraan niet af.

De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast.

Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.

Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar, waaronder hetgeen met betrekking tot de ‘datakluis’ naar voren is gebracht, van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belang-hebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskosten
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar ongegrond te verklaren
  • en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter