BAC 2025-16601
Publicatiedatum 04-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 28 mei 2021 (UHT DC I; UHT-DC I A)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 22 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om enkel het besluit van 28 mei 2021 met kenmerk UHT-DC I te herroepen en een vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve besluiten kinderopvangtoeslag van 28 mei 2021 met de kenmerken UHT-DC I en UHT-DC I A (hierna: de bestreden besluiten).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 17.717 voor toeslagjaar 2016 en is geen compensatie toegekend voor de jaren 2017 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 5 november 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015 tot en met 2019. In overleg met belanghebbende is de periode beperkt tot de jaren 2016 tot en met 2019.
- Op 18 maart 2021 heeft belanghebbende op grond van de Catshuisregeling een bedrag van € 30.000 toegekend gekregen.
- UHT heeft bij de bestreden besluiten aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van € 17.717 (UHT-DC I) voor toeslagjaar 2016 en er is geen compensatie voor de jaren 2017 tot en met 2019 (UHT-DC I A). De toekenning leidde niet tot een nabetaling.
- Gemachtigde heeft bij brief van 7 februari 2024 tegen deze besluiten een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 4 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Bij brief van 24 maart 2026 is aan gemachtigde gevraagd om binnen 2 weken aan te geven of een hoorzitting gewenst is en om binnen 5 weken (uiterlijk
28 april 2026) aanvullende gronden in te dienen. Op 2 april 2026 heeft de gemachtigde verklaard geen behoefte te hebben aan een hoorzitting met de wens een schriftelijke ronde in te lassen, zij het dat de gegunde termijn niet haalbaar zou kunnen zijn. - Op 28 april 2026 heeft gemachtigde aanvullende gronden ingediend.
- Op 18 mei 2026 heeft UHT naar aanleiding van de aanvullende gronden een nadere schriftelijke reactie ingediend die ter informatie is doorgestuurd naar gemachtigde.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over alle benodigde informatie om de bestreden besluiten te kunnen controleren. Zij heeft namelijk niet de beschikking over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier.
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier en/of het volledige bezwaardossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier of aanvullende stukken moeten worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat – bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Forfaitaire bedrag materiële en immateriële schade
Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. Op grond van artikel 2.3 lid 3 van de Wht is de vergoeding voor materiële schade gelijk aan 25 procent van het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of teruggevorderd. Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van die forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade.
Afgewezen toeslagjaren
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). In het bestreden besluit (UHT-DC I A), de schriftelijke beschouwing en het informatie- en beoordelingsformulier is voor de drie toeslagjaren 2017 tot en met 2019 uitgebreid beschreven welke neerwaartse en opwaartse wijzigingen in KOT hebben plaatsgevonden. Het betreffen alle reguliere correcties.
Gelet hierop is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het advies van de CvW en het standpunt van UHT met betrekking tot de afgewezen toeslagjaren onjuist te achten. De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te oordelen dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van KOT voor de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend.
De voorschotten zijn door reguliere wijzigingen opnieuw berekend en in overeenstemming met de wet aangepast. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie is verder van oordeel dat met het indienen van het schriftelijke verweer, de LIC-overzichten en de overige producties, het bestreden besluit ten aanzien van de afgewezen toeslagjaren voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand is gekomen. De Commissie acht de bezwaren op dit punt ongegrond.
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht.
Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Registratie KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.
Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
O/GS
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing, onder verwijzing naar een aanvullende productie, toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Ook uit andere omstandigheden is deze stelling niet aannemelijk geworden. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.
Gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT
Belanghebbende heeft de Commissie verzocht om advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen maatregelen vanwege de termijnoverschrijding bij het nemen van een beslissing op het bezwaar.
Het gevolg van een termijnoverschrijding is dat belanghebbende mogelijk recht heeft op een dwangsom. Hiertoe kan belanghebbende UHT in gebreke stellen en zo nodig in beroep gaan bij de bestuursrechter. Deze weg heeft belanghebbende ook bewandeld. De Commissie heeft geen bevoegdheid hierover een advies uit te brengen, omdat dit valt buiten het kader van haar bevoegdheden als bedoeld in artikel 3 van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen.
Discriminatie
Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, is de Commissie uit de ter beschikking staande stukken gebleken feiten en omstandigheden en uit de schriftelijke beschouwing van UHT niet gebleken.
Compensatie
Volgens UHT is over toeslagjaar 2016 sprake van vooringenomenheid. Op basis hiervan is aan belanghebbende compensatie toegekend. UHT verwijst voor de uitleg van de compensatieberekening naar de bijlage van het bestreden besluit UHT-DC I, de schriftelijke reactie en het informatie- en beoordelingsformulier.
UHT heeft aangegeven dat de componenten n, o en p onjuist zijn. De Commissie adviseert UHT om de componenten in de beslissing op bezwaar overeenkomstig haar eigen standpunt aan te passen.
Aanvullende compensatie
Belanghebbende is van mening dat zij niet voldoende gecompenseerd is voor de gevolgen van de terugvorderingen.
De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, als vermeld op de website van UHT: Aanvullende schade | Herstel Toeslagen (UHT).
Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Proceskosten
De Commissie adviseert om de ”Berekening definitieve beslissing compensatie-bedrag kinderopvangtoeslag” aan te passen op de door UHT in haar schriftelijke reactie aangegeven wijze. Aangezien het bestreden besluit daardoor wordt herroepen, dient er een proceskostenvergoeding toegekend te worden.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (bezwaarschrift). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding toe te kennen (wegingsfactor 2).
Conclusie
- Het bezwaarschrift tegen de definitieve beschikking herbeoordeling KOT (UHT-DC I) gegrond te verklaren ten aanzien van de componenten n, o en p en alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende vergoedingen, opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies;
- de bezwaren tegen de beschikking UHT-DC I A ongegrond te verklaren;
- een vergoeding toe te kennen voor kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter