Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16617

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 27 december 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 5 maart 2026

Overdracht advies aan UHT: 22 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Daarnaast adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 27 december 2023.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 17.216 voor toeslagjaar 2011. Er is geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de (toeslag)jaren 2012, 2013 en 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 26 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2010 en 2011.
    De toeslagjaren 2011 tot en met 2014 zijn vervolgens herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij besluit van 9 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de beoordeling nog niet is afgerond.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 15 november 2023, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van € 17.178. Dit bedrag is op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000.
  • UHT heeft bij bestreden definitief besluit herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 27 december 2023, met kenmerk UHT-DCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 17.216 voor toeslagjaar 2011. Aangezien belanghebbende al € 30.000 had ontvangen heeft er geen nabetaling plaatsgevonden. Er is geen vergoeding toegekend voor de (toeslag)jaren 2012 tot en met 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 8 mei 2024, ingekomen op 13 mei 2024, tegen dit besluit gemaakt.
  • Gemachtigde heeft op 19 februari 2026 het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 30 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 5 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 12 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 26 maart 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor toeslagjaar 2011 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de (toeslag)jaren 2012, 2013 en 2014 af te wijzen.

Dossier
Belanghebbende stelt dat zij niet beschikt over het volledige dossier.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn op 30 december 2025 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, kan UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken herstellen aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

De definitieve compensatieberekening
De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In haar schriftelijke reactie heeft UHT ambtshalve de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht en de compensatieberekening volledig heroverwogen.

Toeslagrente over gemiste KOT (onderdeel o)
Het bedrag aan toeslagrente over gemiste KOT is volgens UHT onjuist vastgesteld. UHT is van een correcte startdatum uitgegaan, 1 juli 2012, maar heeft als eind-datum van de periode waarover de rentevergoeding over gemiste KOT wordt berekend 21 december 2023 gehanteerd. Dit zou 27 december 2023 moeten zijn. De gewijzigde einddatum heeft tot gevolg dat de toeslagrente over gemiste KOT niet € 2.810 bedraagt, maar € 2.816.

De Commissie neemt kennis van het feit dat UHT dit bedrag zal aanpassen in de beslissing op bezwaar. De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.

Vergoeding voor immateriële schade (onderdeel n)
Nu de Commissie het bezwaar met betrekking tot het onderdeel o gegrond acht, adviseert zij om de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar en daarbij alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies.

Herbeoordeling (toeslag)jaren 2012, 2013 en 2014
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de (toeslag)jaren 2012, 2013 en 2014 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over deze (toeslag)jaren was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend.

In 2012 is de KOT één keer verlaagd, op basis van de KOI-viewer. Uit de gegevens uit de KOI-viewer bleek dat er recht was op KOT over de maanden januari tot en met maart van 2012. B/T heeft naar aanleiding van deze informatie twee keer uitvraag bij belanghebbende gedaan. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd. De KOT is vervolgens verlaagd. Belanghebbende acht het onwaarschijnlijk dat zij na maart 2012 geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang, maar heeft dit standpunt niet nader onderbouwd.

In 2013 is de KOT op nihil gesteld. Het is niet duidelijk of er voorafgaand aan de nihilstelling uitvraagbrieven door B/T naar belanghebbende zijn gestuurd. Er is daardoor sprake van vooringenomen handelen door B/T. Toekenning van compensatie blijft echter, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend.
Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in het jaar 2013 nu belanghebbende in dat jaar geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Bovendien was belanghebbende vanaf augustus 2013 geen doelgroeper meer, omdat zij toen een WWB-uitkering ontving. Belanghebbende acht het onwaarschijnlijk dat zij in 2013 geen kinderopvang heeft afgenomen, maar heeft haar standpunt niet nader onderbouwd.

Voor 2014 was er al geen KOT meer toegekend, omdat het kind waarvoor KOT was aangevraagd op 20 juni 2013 vier jaar was geworden en niet langer naar de opvang ging. 

Alle bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bij-stellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheids-tegemoetkoming. Volgens belanghebbende is hier echter wel sprake van hardheid van het stelsel, nu er in 2012 en 2013 beslag was gelegd op de KOT die aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) werd overgemaakt. Belanghebbende kon daardoor niet over het geld beschikken, maar het werd wel bij haar teruggevorderd. Volgens belanghebbende is er daarom sprake van hardheid. UHT heeft dit betwist en toegelicht dat het geld ten goede is gekomen aan belang-hebbende. Op grond van artikel 3.4.5. van het Handboek Integrale Beoordeling van UHT bestaat er daarom geen recht op compensatie vanwege hardheid.

De Commissie overweegt als volgt. De hersteloperatie heeft uitsluitend betrekking op schade die is ontstaan als gevolg van het handelen van B/T bij de uitvoering van de KOT. In het geval van belanghebbende heeft B/T, zoals door belanghebbende verzocht, de KOT naar de KOI overgemaakt. Gebleken is dat er een bedrag van
€ 9.303,26 teveel naar de KOI is overgemaakt. De KOI heeft echter in 2014 ook weer een bedrag van ongeveer € 9.000 aan belanghebbende overgemaakt.
Het bedrag dat niet aan belanghebbende ten goede is gekomen (lees: € 303,26) blijft daarmee ruim onder de hardheidsgrens van € 1.500, zodat belanghebbende geen aanspraak maakt op hardheid op grond van de KOT naar KOI-regeling.
Dat een andere partij dan B/T beslag heeft gelegd op een groot deel van de
€ 9.000, leidt niet tot een ander oordeel. Het geld is immers ten goede gekomen aan belanghebbende: het is aangewend voor het oplossen van schulden die belanghebbende bij een andere kinderopvang had.

Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

O/GS
Met betrekking tot het verzoek van belanghebbende om de onderliggende stukken, ten aanzien van (het ontbreken van) een O/GS-kwalificatie, te ontvangen overweegt de Commissie als volgt. Gelet op de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) dient UHT standaard en actief inzage geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie.

Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545. Deze onderliggende stukken ontbreken in dit geval.

De Commissie adviseert UHT om, voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Proceskosten
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per Procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Daarnaast adviseert zij een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter