BAC 2025-16119
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 9 februari 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 9 februari 2026 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 19 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar deels gegrond te verklaren en een vergoeding voor de proces-kosten toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 tot en met 2013.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 23 september 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 en 2011.
Na overleg met gemachtigde heeft UHT de toeslagjaren 2007 tot en met 2013 opnieuw beoordeeld. - UHT heeft bij bestreden besluit van 19 februari 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2007 tot en met 2013.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 maart 2024, ingekomen op 6 maart 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft bij niet gedateerde beschouwing schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 9 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 6 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gemachtigde daarop niet binnen de termijn gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Dossier
De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit.
Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2011
Belanghebbende stelt dat zij voor toeslagjaar 2011 recht heeft op een herstel-regeling, omdat B/T haar vooringenomen heeft behandeld en omdat bij de verlaging van de KOT onvoldoende is uitgevraagd naar de registratie van de kinderopvangorganisatie in het landelijk register kinderopvang (hierna: LRK).
Bij brief van 12 januari 2012 heeft B/T aan belanghebbende bericht dat de kinderopvangorganisatie vanaf 1 december 2011 niet meer geregistreerd stond in het LRK en dat dit betekende dat zij vanaf die datum niet meer in aanmerking kwam voor KOT. Op 27 januari 2012 is om die reden een nieuw voorschot vastgesteld van € 7.861. Dit is een verlaging van € 715 ten opzichte van de voorschotbeschikking van 25 februari 2011, waarbij de KOT opwaarts was bijgesteld naar € 8.576. UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vooringenomenheid of hardheid.
De Commissie overweegt hierover als volgt. Registratie van de kinderopvang-organisatie in het LRK is een wettelijke voorwaarde voor gekwalificeerde opvang en daarmee voor het recht op KOT. Tegelijkertijd geldt dat van ouders in beginsel niet mag worden verwacht dat zij zich voortdurend vergewissen van de actuele LRK-status van de kinderopvangorganisatie. Dat mag in redelijkheid slechts bij aanvang van de opvang worden verlangd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1572, voor zover hier van belang, in de kern overwogen dat B/T het ontbreken of vervallen van de registratie niet aan een ouder mag tegenwerpen over de periode waarin die ouder daarvan niet op de hoogte is gebracht. In het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek, versie 3.16 van 13 november 2025 (Handboek-IB-Vaktechniek-v3.16.pdf) heeft UHT haar uitvoeringspraktijk op dit punt, voor zo ver thans van belang, als volgt verwoord.
“3.1.10 (…) Bij het ontbreken van een registratie zoals hiervoor genoemd, kan er geen sprake zijn van kwalificerende opvang en daarmee ook geen recht op KOT. Echter, in het algemeen kan niet van ouders worden verlangd dat zij zich van dag tot dag op de hoogte stellen van de inschrijving van de KOI in het LRK. Enkel bij de aanvang van opvang kan van de ouder worden verlangd dat enig onderzoek wordt verricht naar de registratie in het LRK. Dit brengt met zich mee dat indien de registratie op enig moment komt te vervallen, deze ontbrekende registratie de ouder niet zou moeten worden tegengeworpen. Dit kan enkel vanaf het moment dat de ouder nadrukkelijk bekend is geworden met het vervallen van de registratie, bijvoorbeeld door middel van een brief vanuit BD/T waarin de ouder wordt geïnformeerd dat de KOI geen geldig LRK-nummer meer heeft vanaf een bepaalde datum. Ouder behoudt recht op KOT tot de dateringsdatum van deze brief, wat volgt uit de uitspraak van de RvS van 8 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1572). De gevallen van vóór 8 juni 2016 waarin dit speelt, kunnen, als wordt voldaan aan alle overige voorwaarden [cursivering van de Commissie], worden gecompenseerd wegens hardheid. Als deze gevallen zich voordoen na 8 juni 2016, is sprake van een vooringenomen handeling. Voorbeeld: De ouder ontvangt op 24 augustus 2014 een brief waarin wordt medegedeeld dat de LRK registratie per 10 mei 2014 is komen te vervallen. De KOT wordt daarom per 10 mei 2014 stopgezet. Aan de overige vereisten voor een aanspraak op KOT wordt overigens wel voldaan. Omdat het vereiste van een LRK-registratie de ouder zonder nadrukkelijke verwittiging niet zou moeten worden tegengeworpen, dient er compensatie vanwege hardheid te worden gegeven voor de maanden mei tot en met augustus (afronden op hele maanden). Let op! Het komt ook voor dat niet kan worden aangetoond dat een ouder op enige wijze is geïnformeerd over het vervallen van de registratie (niet per brief en ook niet in de beschikking zelf). Er is dan nagelaten de ouder van dit feit op de hoogte te stellen, waardoor de ouder de kans is ontnomen om alsnog aan de voorwaarden te kunnen voldoen. Indien er sprake is van een stopzetting in deze situatie, is, ongeacht de datum waarop deze stopzetting heeft plaatsgevonden, in beginsel sprake van vooringenomen handelen.” (cursivering van de Commissie)
In dit geval heeft B/T de KOT over de periode van 1 december 2011 tot en met
31 december 2011 verlaagd uitsluitend vanwege het ontbreken of vervallen van de LRKregistratie van de kinderopvangorganisatie. Niet is gebleken dat belang-hebbende vóór die verlaging wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de opvang vanaf 1 december 2011 niet langer in het LRK geregistreerd stond. Belanghebbende is daarmee pas achteraf geconfronteerd, zonder in de gelegenheid te zijn geweest om op die informatie te reageren of maatregelen te treffen om alsnog aan de voorwaarden voor KOT te voldoen. Daarbij komt dat uit het bezwaardossier volgt dat in toeslagjaar 2012 sprake was van dezelfde kinderopvangorganisatie en dat voor dat jaar zonder meer KOT is toegekend.
Ook vermeldt het dossier op bladzijde 41 dat de betreffende kinderopvang-organisatie in heel 2011 geregistreerd stond. Tegen deze achtergrond had UHT niet zonder nadere motivering kunnen volstaan met het standpunt dat geen sprake is van vooringenomenheid in de zin van artikel 2.1 Wht van de zijde van B/T ten tijde van het nemen van de beslissing tot verlaging van de KOT. De Commissie overweegt dat uit het hiervoor geciteerde beleid van UHT volgt dat, als niet kan worden aangetoond dat een ouder op enige wijze is geïnformeerd over het vervallen van de LRK-registratie en de ouder daardoor de kans is ontnomen om alsnog aan de voorwaarden te voldoen, bij een stopzetting in beginsel sprake is van vooringenomen handelen. Naar het oordeel van de Commissie doet die situatie zich hier voor. De brief van 12 januari 2012 kan daaraan niet afdoen, omdat die brief dateert van ná de periode waarop de verlaging betrekking heeft. Belanghebbende kon door die brief dus niet meer voorkomen dat de KOT over december 2011 werd verlaagd. De Commissie constateert daarom dat UHT, gelet op het eigen beleid, had moeten beoordelen of de verlaging over december 2011 als vooringenomen handeling moet worden aangemerkt.
In dat kader acht de Commissie artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) van belang. Op grond van die bepaling handelt een bestuursorgaan overeenkomstig zijn beleidsregel, tenzij toepassing daarvan voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
UHT heeft niet overeenkomstig het hiervoor weergegeven beleid gehandeld en heeft evenmin toegelicht waarom toepassing van dat beleid in dit geval achterwege kon blijven. De aard van de hersteloperatie en het uitgangspunt van ruimhartig herstel brengen juist mee dat het ruimer geformuleerde beleid in een geval als dit wordt toegepast. Voor zover UHT het beleid zo uitlegt dat situaties van vóór 8 juni 2016 nooit als vooringenomen handeling kunnen worden aangemerkt, acht de Commissie die uitleg in dit geval te beperkt. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juni 2016 verduidelijkt dat het ontbreken of vervallen van een LRK-registratie niet aan een ouder kan worden tegengeworpen over een periode waarin die ouder daarvan niet op de hoogte was gebracht. Die uitspraak markeert in dit verband geen nieuwe materiële norm, maar verduidelijkt hoe de bestaande rechtsnorm moet worden toegepast. Gelet daarop, en gelet op het eigen beleid van UHT dat, bij het geheel ontbreken van actieve informatieverstrekking aan de ouder in beginsel moet worden uitgegaan van vooringenomen handelen door B/T, moet de verlaging van de KOT over december 2011 worden aangemerkt als een dergelijke handeling. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel gegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2013, stopzetting
Belanghebbende voert aan dat zij de KOT niet per 1 februari 2023 (de Commissie begrijpt: 2013) heeft stopgezet. De Commissie overweegt dat uit de systemen van B/T niet blijkt dat de stopzetting ambtshalve is doorgevoerd, maar dat deze als een door of namens de belanghebbende doorgegeven wijziging is geregistreerd. Nu er geen concrete aanwijzingen in het dossier aanwezig zijn die op het tegendeel wijzen, ziet de Commissie geen aanleiding om aan te nemen dat deze stopzetting niet door of namens de belanghebbende is gedaan. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Ambtshalve heroverweging toeslagjaren 2007 tot en met 2013
UHT heeft het bestreden besluit ambtshalve heroverwogen en is daarbij tot de conclusie gekomen dat deze heroverweging niet tot een andere uitkomst leidt.
De Commissie overweegt dat deze heroverweging, die door belanghebbende verder niet (meer) is bestreden, navolgbaar is en voldoende steun vindt in het dossier. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Betalingsregeling
Belanghebbende voert aan dat zij in de periode 2007 tot en met 2013 op verschillende momenten KOT heeft moeten terugbetalen zonder dat een betalingsregeling is aangeboden. De Commissie overweegt dat uit het dossier niet blijkt van een kwalificatie Opzet/Grove Schuld (O/GS) over de toeslagjaren 2007 tot en met 2013. Evenmin volgt uit de systemen van B/T dat belanghebbende om een betalingsregeling heeft verzocht. Gelet hierop ziet de Commissie geen aanknopingspunten voor het oordeel dat ten onrechte geen betalingsregeling is aangeboden. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Overige gronden
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Proceskosten
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar deels gegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter