BAC 2023-13955
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 13 juli 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 2 april 2026 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 19 mei 2026
Samenvatting
De Commissie adviseert om het bezwaar tegen het besluit met het kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en aan belanghebbende geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 tot en met 2009.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 11 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2009.
- UHT heeft bij beschikking van 8 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 14 april 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2007 tot en met 2009.
- Gemachtigde heeft bij brief van 31 juli 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brieven van 24 september 2024 en 9 mei 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 23 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 2 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 23 april 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 6 mei 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Compleetheid dossier
Belanghebbende stelt dat het bezwaardossier onvolledig is. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 9 februari 2026 toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
Het vertrouwensbeginsel
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat UHT gehouden was om ook bij de integrale beoordeling het standpunt in te nemen dat belanghebbende als gedupeerde van de toeslagaffaire moet worden aangemerkt. Belanghebbende beroept zich daarbij op het vertrouwen dat zou zijn gewekt door de beschikking tot toekenning van een uitkering van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling van
8 mei 2021 en de correspondentie die daarop is gevolgd. De Commissie merkt daarover het volgende op.
Het besluit van UHT van 8 mei 2021 waarbij aan belanghebbende een uitkering op grond van deze Catshuisregeling werd toegekend, houdt onder meer in:
Wij zijn van mening dat u in aanmerking komt voor de betaling van € 30.000. Dit is het bedrag dat u in ieder geval van ons krijgt voor de situatie met uw kinderopvangtoeslag (…).
Wij hebben uw situatie nog niet helemaal beoordeeld. Dat gaan wij nog doen. Hebt u dan recht op meer dan € 30.000? Dan krijgt u een aanvulling op het bedrag dat u al van ons hebt ontvangen. (…).
In dit besluit valt - afgezien van de toezegging dat betrokkene die € 30.000 nooit hoeft terug te betalen - niet de toezegging te lezen dat ook bij de integrale beoordeling van het verzoek voor herstel met toepassing van de herstelregelingen zal worden aangenomen dat belanghebbende is aan te merken als een gedupeerde die (in beginsel) aanspraak heeft op een compensatie op grond van die herstelregelingen. Juist bij de integrale beoordeling kan immers informatie naar boven komen die maakt dat de uitkomst, in negatieve zin, afwijkt van die van de lichte toets.
Dat betekent dat het beroep van belanghebbende op een door het besluit van
8 mei 2021 gewekt vertrouwen faalt. Om dezelfde redenen kan ook aan andere stukken en correspondentie die naar aanleiding van dat besluit heeft plaatsgevonden geen vertrouwen worden ontleend voor de uitkomst van de integrale beoordeling.
Toeslagjaren 2007, 2008 en 2009
Met betrekking tot het jaar 2007 zijn geen bezwaren ingediend. Belanghebbende voert aan dat ten onrechte geen compensatie is toegekend voor de toeslagjaren 2008 en 2009. Ten aanzien van 2008 stelt zij dat de KOT voor kind 2 [naam kind] door B/T zonder voorafgaande brief is stopgezet wegens het bereiken van de leeftijd van vier jaar, terwijl volgens haar ook daarna nog opvang is afgenomen, en dat de terugvordering van meer dan € 1.500 blijk geeft van hardheid. Ten aanzien van 2009 stelt zij dat de KOT voor kind 1 [naam kind] is stopgezet zonder dat duidelijk is waarom of door wie dit is gebeurd en zonder dat een stopzettingsbrief in het dossier aanwezig is, zodat volgens haar sprake is van vooringenomen handelen. Voorts acht zij onbegrijpelijk dat geen sprake zou zijn van hardheid, nu in 2009 meerdere verlagingen hebben plaatsgevonden.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2008 en 2009 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
In het toeslagjaar 2008 hebben drie neerwaartse bijstellingen van de KOT plaatsgevonden, te weten op 18 april 2008, 14 oktober 2008 en 10 januari 2012. Uit de door UHT aangeleverde XML-bestanden blijkt dat de eerste twee neerwaartse bijstellingen zijn gebaseerd op wijzigingen in het aantal opvanguren en het inkomen, welke door belanghebbende zelf aan de Belastingdienst/ Toeslagen (hierna: B/T) zijn doorgegeven. De derde neerwaartse bijstelling betreft tevens de definitieve vaststelling van de KOT over 2008. Ook deze verlaging berust op door belanghebbende zelf verstrekte gegevens, waaronder de bij de antwoord-formulieren van 20 juli 2009 en 3 januari 2011 overgelegde jaaropgave van de kinderopvanginstelling. Uit de antwoordformulieren blijkt dat voor alle kinderen dagopvang is afgenomen en voor kind 1 85,5, voor kind 2 265,5 en voor kind 3 68,5 opvanguren zijn afgenomen. Uit het SAS overzicht blijkt voorts dat de definitieve KOT is berekend aan de hand van de gegevens uit de jaaropgave. Daarbij is voor kind 1 [naam kind] uitgegaan van 8 opvanguren per maand over de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008, voor kind 2 [naam kind] van 23 opvanguren per maand over de periode van 1 januari tot en met 30 september 2008 en voor kind 3 [naam kind] van 18 opvanguren per maand over de periode van 1 september tot en met 31 december 2008. Ten aanzien van [naam kind] is de KOT terecht slechts berekend tot en met 30 september 2008 en niet tot en met
31 december 2008, aangezien hij op 6 september 2008 vier jaar is geworden en vanaf dat moment naar de basisschool ging en geen recht meer bestond op KOT voor dagopvang, maar hoogstens nog voor buitenschoolse opvang.
Uit het dossier volgt dat de KOT over het toeslagjaar 2009 in totaal vijfmaal neerwaarts is aangepast. Het betreft bijstellingen van 3 maart 2009, 21 juli 2009,
2 september 2009, 16 oktober 2009 en 31 juli 2012. Volgens de door UHT verstrekte XML-bestanden waren de eerste drie aanpassingen het gevolg van door belanghebbende opgegeven wijzigingen in het aantal opvanguren en de hoogte van het uurtarief. De bijstelling van 16 oktober 2009 hield verband met de stopzetting van de KOT door belanghebbende voor kind 2 [naam kind] per
1 oktober 2009. Later bleek, dat er voor kind 2 ook na 1 oktober opvang was geweest, waardoor de KOT is aangepast. Met de laatste aanpassing is de KOT over 2009 definitief vastgesteld. Daarbij is uitgegaan van door belanghebbende zelf verstrekte gegevens, waaronder de bij het antwoordformulier van 12 september 2010 overgelegde jaaropgave van de kinderopvanginstelling. Uit de jaaropgave blijkt dat voor kind 1 77,5 opvanguren, voor kind 2 141,6 opvanguren en voor kind 3 350,2 opvanguren zijn afgenomen. Uit het SAS-overzicht blijkt voorts dat deze gegevens overeenkomen met de uitgangspunten die bij de definitieve berekening van de KOT zijn gehanteerd. Daarbij is voor kind 1 [naam kind] uitgegaan van
10 opvanguren per maand over de periode van 1 januari tot en met 31 augustus 2009, en voor kind 2 [naam kind] en kind 3 [naam kind] respectievelijk van 12 en 30 opvanguren per maand over de periode van 1 januari tot en met 31 december 2009.
De terugvordering KOT over de toeslagjaren 2008 en 2009 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeen-stemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenveroordeling conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, adviseert de Commissie belanghebbende om proceskosten af te wijzen.
Conclusie
Gelet het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en geen proces-kostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter