Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16125

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 8 augustus 2022 (UHT-DC I A; UHT DC I; UHT-DHR)

Hoorzitting: N.V.T.

Overdracht advies aan UHT: 18 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door (naam) (hierna: gemachtigde) namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve besluiten compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: de bestreden besluiten).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 21.693 voor de jaren 2010 en 2013. Er is geen compensatie toegekend voor het jaar 2012.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden besluiten geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 19 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 en 2013. In overleg met belanghebbende is 2010 ook beoordeeld.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 mei 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Awir en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir niet van toepassing zijn voor het toeslagjaar 2012. Voor het jaar 2013 is de compensatieregeling niet maar de hardheidsregeling wel van toepassing, berekend op basis van een bedrag van
    € 1.433,72.
  • UHT heeft bij de bestreden besluiten van 8 augustus 2022 een compensatie toegekend van € 21.693 voor de jaren 2010 en 2013. Dit bedrag is aangevuld tot € 30.000 op grond van de Catshuisregeling. Voor het jaar 2012 is geen compensatie toegekend.
  • Gemachtigde heeft op 14 november 2024 tegen deze besluiten een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 19 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 27 november 2025 heeft gemachtigde te kennen gegeven dat belanghebbende afziet van een hoorzitting en dat zij een verzoek doet om de zaak schriftelijk af te doen.
  • Bij brief van 31 december 2025 heeft gemachtigde haar bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 5 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
  • De Commissie heeft UHT op 17 maart 2026 een nadere vraag gesteld. UHT heeft op 9 april 2026 schriftelijk gereageerd. Gemachtigde heeft op 15 april 2026 op de e-mail van UHT van 9 april 2026 gereageerd.
  • De Commissie ziet, op grond van artikel 7:3, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belanghebbende.
  • Het advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden  beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 8 oktober 2025 aan gemachtigde toegezonden.
De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Awb neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Inhoudelijke bezwaren
De Commissie ziet zich, gelet op de inhoud van de bestreden besluiten en de daartegen aangevoerde bezwaren, geplaatst voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht heeft besloten het jaar 2012 niet als, kortweg, compensatiejaar aan te merken en of UHT de compensatieberekening over de jaren 2010 en 2013 juist heeft berekend.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2012
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2012 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over dit jaar was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Er zijn voor dit jaar twee neerwaartse correcties geweest. Bij de eerste neerwaartse correctie heeft B/T de KOT verlaagd op basis van de gegevens van de KOI-viewer waarin staat dat er geen opvang meer is vanaf 16 oktober 2012. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie in de KOI-viewer, tenzij er indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft zodanige indicaties niet verschaft. De tweede neerwaartse correctie is op basis van de door belanghebbende opgegeven stopzetting op 20 oktober 2013 per 1 juni 2012 met de code 009. Op grond van de melding in productie (nr) (code 009) is het aannemelijk dat de wijziging is doorgevoerd via het burgerportaal en dat belanghebbende de stopzetting heeft ondertekend. De Commissie leidt hieruit af dat het belanghebbende zelf is geweest die de KOT heeft stopgezet per 1 juni 2012. Deze neerwaartse bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling compensatieberekening over toeslagjaren 2010 en 2013
Tussen partijen is niet in geschil dat de B/T over het jaar 2010 jegens belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld.

UHT heeft ter compensatie volgens de forfaitaire systematiek van de Wht € 21.693 aan belanghebbende toegekend. UHT heeft, blijkens het gestelde in de schriftelijke beschouwing, zelf geconstateerd dat de berekeningen van de compensatie over die jaren in de bestreden besluiten onjuist zijn geweest voor wat betreft de toeslagrente over de gemiste KOT (component o). UHT heeft daarbij, onder verwijzing naar de bij die beschouwing behorende bijlage, uiteengezet hoe zij deze berekening bij de beslissing op bezwaar in het voordeel van belanghebbende zal aanpassen. De Commissie adviseert UHT daarom deze toezegging bij de beslissing op bezwaar gestand te doen. Het bezwaar is in zoverre gegrond.

Op de stelling van belanghebbende dat voor het jaar 2013 sprake is vooringenomen handelen vanwege de stopzetting en het niet nader uitvragen, overweegt de Commissie  het volgende. Aannemelijk is dat belanghebbende de KOT op 1 oktober 2013 zelf heeft stopgezet met ingang van 1 juni 2012.
De Commissie ziet dan ook geen aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake is van een vooringenomen handelen.

De Commissie vindt met UHT wel dat voor dit jaar sprake is van hardheid.

UHT heeft aan belanghebbende een compensatie wegens hardheid toegekend op grond van de zo genoemde KOT-naar-KOI-regeling. De Commissie stelt vast dat de compensatieberekening in lijn is met het bepaalde in het beleid van UHT (Handboek Vaktechniek Integrale Beoordeling, versie 3.16, paragraaf 2.3.6.1).
In het toeslagjaar 2013 is de KOT uitbetaald aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI), terwijl geen sprake was van daadwerkelijk afgenomen kinderopvang.
De stopzetting door belanghebbende is immers te laat doorgevoerd, waardoor B/T reeds tot uitbetaling van de KOT is overgegaan. Uit het LIC-overzicht volgt dat in totaal een bedrag van € 3.201 aan de KOI is uitbetaald. Nu de opvangkosten in dat jaar € 0 bedroegen, dient het volledige bedrag van € 3.201 als te veel betaald aan de KOI te worden aangemerkt. Voorts blijkt uit het dossier dat een bedrag van
€ 1.767,28 door de KOI aan belanghebbende is betaald en vervolgens door belanghebbende aan B/T is betaald. Dit betekent dat een bedrag van € 1.433,72 niet aan belanghebbende ten goede is gekomen en bij de KOI is gebleven.
Het bedrag waarover de hardheidscompensatie wordt berekend (component A)
is derhalve terecht vastgesteld op € 1.434. Ten aanzien van de rente en kosten ten bedrage van € 462 overweegt de Commissie dat UHT terecht heeft toegelicht dat deze kosten reeds zijn verdisconteerd in de compensatieberekening onder component i. Deze bedragen maken derhalve geen onderdeel uit van
component A.

De Commissie volgt belanghebbende niet in haar stelling dat dient te worden uitgegaan van een door haar betaald bedrag van € 3.971,28. Dit bedrag betreft blijkens het desbetreffende, tot de stukken behorende, LIC-overzicht een optelsom van een bedrag van € 1.767,28 aan “betalingen” en een bedrag van € 2.204,72 aan “verrekend VAN”. De Commissie overweegt dat het bedrag van € 1.767,28 niet kan worden aangemerkt als een door belanghebbende uit eigen middelen verrichte betaling, nu dit bedrag door de KOI aan belanghebbende is terugbetaald en vervolgens door belanghebbende is doorgestort aan B/T. Voorts stelt de Commissie vast dat het bedrag van € 2.204,72 bestaat uit diverse verrekeningen van de terugvordering van KOT met andere toeslagen en daarmee moet worden aangemerkt als een terugbetaling van KOT waarop – gelet op het ontbreken van opvang – geen recht bestond. Deze bedragen vloeien dan ook voort uit een terechte terugvordering en kunnen niet voor compensatie via de KOT-naar-KOIregeling in aanmerking komen. De Commissie overweegt in dit verband dat de hardheidscompensatie in gevallen waarin KOT is uitbetaald aan een KOI en vervolgens is teruggevorderd, conform het beleid van UHT uitsluitend ziet op het deel van de KOT dat aan de KOI is uitbetaald en niet aan de belanghebbende ten goede is gekomen. De stelling van belanghebbende dat aansluiting moet worden gezocht bij het totale door belanghebbende betaalde bedrag, volgt de Commissie dan ook niet. De Commissie ziet geen aanleiding om UHT op dit punt niet te volgen en adviseert om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2009 en 2011
Gemachtigde heeft in deze bezwaarprocedure aangevoerd dat belanghebbende mogelijk aanspraak heeft op compensatie voor de jaren 2009 en 2011 en heeft verzocht aan UHT deze jaren alsnog te beoordelen. In de aanvullende reactie van UHT van 5 februari 2026 staat dat het verzoek wordt doorgestuurd naar de desbetreffende afdeling. De Commissie adviseert om de beoordeling van deze jaren mee te nemen in de beslissing op bezwaar.

Overige bezwaren
Voor het overige heeft de gemachtigde van belanghebbende in deze procedure een aantal, meer algemene, bezwaren aangevoerd die naar aard, inhoud en strekking overeenstemmen met de bezwaren die zij in een andere procedure heeft aangevoerd. In die procedure heeft de Commissie op 28 januari 2026 een advies uitgebracht (zie BAC 2023-14521) en, onder aanvoering van de daartoe leidende overwegingen, geadviseerd die bezwaren ongegrond te verklaren. De Commissie adviseert, onder verwijzing naar haar overwegingen in laatstgenoemd advies, deze, meer algemene, bezwaren in deze procedure eveneens ongegrond te verklaren.

Proceskosten
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Ingevolge artikel 7:15 Awb worden proceskosten alleen vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van de op dit punt heersende rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRVB 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3140, JB 2021/25), is sprake van herroepen in de zin van artikel 7:15 lid 2 Awb als het primaire besluit wordt gewijzigd voor wat betreft het met dat besluit beoogde rechtsgevolg.
De aanpassing van de compensatieberekening heeft niet tot gevolg dat belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan compensatie dan de al eerder uitgekeerde € 30.000. De aanpassing van de compensatieberekening heeft wel tot gevolg dat het vertrekpunt voor een eventuele procedure over aanvullende compensatie voor de werkelijke schade verandert. De Commissie is daarom, in lijn met de genoemde rechtspraak en gelet op het systeem van de Wht, van mening dat er sprake is van een wijziging van het rechtsgevolg. Daarom adviseert de Commissie aan UHT om een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 1 procespunt. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij uit te gaan van de hoogste vergoeding per procespunt.

Slot
De Commissie zal UHT adviseren de bezwaren deels gegrond te verklaren en de bestreden besluiten met kenmerken UHT-DC I en UHT-DHR deels te herroepen. Daarmee staat tevens vast dat de totstandkoming van deze besluiten deels onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering deels niet voldoende deugdelijk. Deze gebreken zullen bij de beslissing op bezwaar worden hersteld.
De Commissie adviseert daarnaast om de bezwaren tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT-DC-I A ongegrond te verklaren.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie UHT:

  • de bezwaren tegen de besluiten met kenmerk UHT-DC I en UHT-DHR deels gegrond te verklaren en de, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en de laatst genoemde bestreden besluiten in zo verre te herroepen;
  • de bezwaren voor het overige ongegrond te verklaren;
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen zoals hiervoor omschreven.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter