Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16887

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: van16 december 2022 met kenmerk UHT-DCH en 27 januari 2023 met kenmerk UHT-O OGS B

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 13 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door (naam) (hierna: gemachtigde) namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 16 december 2022 en de definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS) van 27 januari 2023 (hierna: de bestreden besluiten).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een compensatie toegekend van € 34.620 voor de maanden maart tot en met december 2010. Voor het toeslagjaar 2009 en de maanden januari en februari 2010 is geen compensatie toegekend. Voor het toeslagjaar 2010 ontvangt belanghebbende wel een O/GS-tegemoetkoming van € 1.230.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 17 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2010. De persoonlijk zaakbehandelaar heeft dit verzoek uitgebreid met het jaar 2009.
  • UHT heeft met de beschikking van 24 februari 2021 laten weten dat belanghebbende in aanmerking komt voor een bedrag van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 21 juli 2022 aan UHT toegezonden. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling gedurende het toeslagjaar 2009 en de maanden januari en februari 2010 niet van toepassing is. Deze regeling is voor de maanden maart tot en met december 2010 wel van toepassing. Belanghebbende heeft voor de maanden januari en februari 2010 recht op een O/GStegemoetkoming.
  • UHT heeft met het besluit van 5 oktober 2022 laten weten dat het voorlopige compensatiebedrag wordt vastgesteld op € 34.523.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 16 december 2022, met kenmerk UHTDCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 34.620.
  • UHT heeft met het besluit van 27 januari 2023, met kenmerk UHT-O OGS B, aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend van € 1.230 voor het toeslagjaar 2010.
  • De gemachtigde heeft bij brief van 23 oktober 2024 tegen het besluit van
    27 januari 2023 een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 11 december 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 11 februari 2026 heeft de gemachtigde de Commissie verzocht de zaak op de stukken af te doen. De Commissie ziet daarom, op grond van artikel 7:3, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), af van het horen van belanghebbende.
  • De gemachtigde heeft bij brief van 12 april 2026 het bezwaar aangevuld.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie stelt vast dat uit de aanvulling van het bezwaarschrift van 12 april 2026 volgt dat belanghebbende ook bezwaren heeft tegen het besluit van 16 december 2022. De Commissie zal dan ook dit besluit in haar advisering betrekking.    

De Commissie zal eerst ingaan op de volgende (algemene) bezwaargronden van belanghebbende:

  • gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT;
  • geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier;
  • onrealistische termijnen en gevolgen voor de bezwaarprocedure;
  • het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel;
  • het niet tijdig definitief beslissen volgens artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir);
  • registratie van de kinderopvanginstelling (hierna: KOI);
  • beslissen op bezwaar;
  • gebruik van informatie uit de KOI-viewer;
  • opname op de FSV-lijst;
  • O/GS-kwalificatie;
  • discriminatie;
  • beoordeling per jaar;
  • hoogte van de KOT;
  • voorafgaande toetsing van het recht op KOT door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T);
  • verrekeningen en voor aanvullende schade naar de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).

Gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT
De belanghebbende verzoekt de Commissie advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen gevolgen van het overschrijden van de voor UHT geldende (beslis)-termijnen.

De Commissie gaat aan dit verzoek voorbij, omdat beoordeling van de door UHT gehanteerde termijnen van beslissen buiten het kader van de bevoegdheden van de Commissie valt. Uit artikel 3 van het Instellingsregeling
Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen volgt dat de Commissie een adviserende taak heeft die beperkt is tot bezwaren tegen beschikkingen die zijn genomen op grond van de Wht. Klachten of geschillen die uitsluitend zien op de overschrijding van de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar vallen buiten deze taak. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over alle benodigde informatie om het bestreden besluit te kunnen controleren. Zij heeft namelijk niet de beschikking over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier en/of het volledige bezwaardossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. UHT heeft op
8 augustus 2025 het ouderdossier naar gemachtigde gestuurd.

Op 9 februari 2026 heeft de Commissie de schriftelijke beschouwing van
11 december 2025 en het aangevulde ouderdossier naar gemachtigde gestuurd. Daarbij is het dossier aangevuld met de producties 2800100 tot en met 2800109.

De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier of aanvullende stukken moeten worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat – bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. Gelet op het vorenstaande treft deze bezwaargrond geen doel.

Onrealistische termijnen en gevolgen voor de bezwaarprocedure
Belanghebbende vindt dat de termijnen voor schriftelijke reacties onrealistisch kort zijn, zeker gezien de omvangrijke dossiers. Hierdoor kan volgens haar geen zorgvuldige behandeling plaatsvinden. De vertragingen zijn volgens belang-hebbende grotendeels veroorzaakt doordat UHT jarenlang geen dossiers heeft aangeleverd, waardoor belangrijke punten in bezwaar mogelijk onvoldoende worden behandeld en later alsnog in beroep aan de orde moeten komen.

De Commissie merkt in deze situatie op dat gemachtigde op 23 oktober 2024 een voorlopig bezwaarschrift heeft ingediend tegen het bestreden besluit van
27 januari 2023 en op 9 februari 2026 de onderliggende stukken en het standpunt van UHT zoals dat is weergegeven in de beschouwing van 11 december 2025 heeft ontvangen.

De Commissie stelt vast dat gemachtigde de gronden van bezwaar na ruim twee maanden heeft aangevuld, nadat op 11 februari 2026 werd aangegeven dat geen prijs gesteld werd op het houden van een hoorzitting. Daarmee kan niet worden gesteld dat de termijn voor inbrengen van inhoudelijke gronden onrealistisch kort was of dat een zorgvuldige behandeling niet mogelijk zou zijn.

De bezwaargrond treft gelet op het voorgaande geen doel.

Het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de bestreden besluiten onvoldoende inzichtelijk zijn gemotiveerd en op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van de bestreden besluiten als de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de besluiten op uitvoerige en overtuigende wijze heeft gemotiveerd. Met de beschouwing van 11 december 2025 en de nieuwe compensatieberekening heeft UHT een uitgebreide toelichting gegeven, onder meer aan de hand van de LIC- en SAS-overzichten en overige relevante stukken. Daarbij heeft UHT rekening gehouden met het persoonlijk verhaal van belanghebbende en het oordeel van de CvW, voordat de bestreden besluiten werden genomen. Alle hiervoor genoemde documenten maken deel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Het niet tijdig definitief beslissen volgens artikel 19 van de Awir
Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Awir destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de aan belanghebbende toekomende KOT, maar dat B/T dit niet heeft gedaan.

De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Registratie van de KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een KOI belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.

De Commissie merkt hierover op dat aan belanghebbende niet wordt tegen-geworpen dat zij gebruik maakte van een niet-geregistreerde KOI.
Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

Beslissen op bezwaar
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het niet beslissen op bezwaren die in de herbeoordeelde jaren door belanghebbende zijn gemaakt, vooringenomen handelen oplevert.

De Commissie stelt vast dat belanghebbende in toeslagjaar 2010 bezwaar heeft aangetekend en dat B/T daar met de beslissing op bezwaar van 3 juli 2014 op heeft beslist. Er is verder niet gebleken van bezwaren dan wel brieven waarop B/T niet heeft beslist. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Gebruik van informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat de KOI niet verplicht is om de gegevens in de KOIviewer in te vullen.

De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. In de situatie van belanghebbende heeft de informatie van de KOI-viewer geen rol gespeeld voor de vaststelling van de (hoogte) van de KOT, zodat deze bezwaargrond geen doel treft.

Opname op de FSV-lijst
Het is de Commissie uit de onderliggende stukken (pagina’s 299 en 370) niet gebleken dat belanghebbende op de FSV-lijst heeft gestaan.

De Commissie is dan ook van oordeel dat UHT geen informatie kan verschaffen die er niet is zodat deze bezwaargrond geen doel treft.

O/GS-kwalificatie
De Commissie acht het ontoereikend dat UHT op pagina 29 en 31 van de informatie- en beoordelingsformulier enkel heeft opgenomen dat voor toeslagjaar 2009 geen sprake geweest is van een onterechte O/G-kwalificatie en voor 2010 wel. De onderliggende stukken hoe deze vaststelling tot stand is gekomen ontbreken. De informatie op grond waarvan B/T heeft vastgesteld of belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie, maakt onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. B/T moet daarbij toelichten welke gegevensbronnen zijn geraadpleegd. Als de beoordeling van B/T (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over de belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet B/T die vaststelling onderbouwen door bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Naar het oordeel van de Commissie kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld hoe de conclusie is getrokken dat geen sprake is van een O/GS voor toeslagjaar 2009. B/T heeft onvoldoende toegelicht in welke systemen is gezocht en welke resultaten daarin zijn aangetroffen. Nu deze stukken in het dossier ontbreken, kan niet worden vastgesteld dat B/T de benodigde kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard en berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. De Commissie verwijst hierbij mede naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545 en de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid (naam) (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 708, nr. 68). In zoverre slaagt de bezwaargrond.
Aan UHT wordt geadviseerd voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Discriminatie
De Commissie overweegt dat voor toekenning van compensatie wegens discriminatie, vooringenomenheid of onbillijke hardheid concreet moet worden aangetoond dat het bestuursorgaan onzorgvuldig heeft gehandeld of in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is opgetreden. Daarbij dient aannemelijk te worden gemaakt dat dit handelen daadwerkelijk tot schade heeft geleid. Het enkele bestaan van een risicoprofiel, een intern signaal of een intensievere controle vormt op zichzelf onvoldoende grond voor compensatie. Vereist is dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen het handelen van het bestuursorgaan en een nadelige beslissing of situatie voor belanghebbende.

In het onderhavige geval heeft belanghebbende weliswaar gesteld dat zij is gediscrimineerd, maar deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd met concrete feiten, omstandigheden of stukken. De Commissie merkt daarbij op dat van degene die zich op deze gronden beroept, mag worden verwacht dat dit standpunt deugdelijk wordt gemotiveerd. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.

De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Gelet op deze overweging treft deze bezwaargrond geen doel.

Hoogte van de KOT
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van (de gevolgen van) vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en geen betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Voorafgaande toetsing van het recht op KOT door B/T
De Commissie stelt voorop dat het toeslagenstelsel werkt met voorschotten, waarbij het definitieve recht op KOT afhankelijk is van gegevens die gedurende of na afloop van het toeslagjaar worden vastgesteld. Het is daarbij in de eerste plaats aan de belanghebbende om relevante wijzigingen tijdig en volledig aan B/T door te geven en desgevraagd stukken te overleggen waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor toekenning van de toeslag is voldaan en dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

Niettemin kan de rol van B/T worden meegewogen als duidelijk blijkt dat signalen voor nader onderzoek niet zijn opgevolgd. In dergelijke gevallen kan dit aanleiding zijn tot een matiging van de terugvordering. Het is de Commissie niet gebleken dat B/T duidelijke signalen tot zijn beschikking gehad zou hebben voor een nader onderzoek. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

Verrekeningen en voor aanvullende schade naar de CWS
Belanghebbende stelt dat zij in aanmerking komt voor compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van terugvorderingen met nadien toegekende toeslagen, waaronder de KOT.

De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering van de KOT. De onderhavige procedure heeft uitsluitend betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van werkelijke schade. Indien belanghebbende van mening is dat zij recht heeft op aanvullende compensatie voor werkelijke schade als gevolg van deze verrekeningen, kan zij daarvoor een verzoek indienen bij CWS. Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.

De Commissie ziet zich verder gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de maanden maart tot en met december 2010 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor toeslagjaar 2009 en de maanden januari en februari 2010 af te wijzen.

Reguliere bijstellingen voor toeslagjaar 2009 en evident geen recht op KOT over de maanden januari en februari 2010
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2009 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2009 was gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. B/T heeft na ontvangst van de jaaropgave het recht op KOT definitief vastgesteld, zodat sprake is van een reguliere herberekening van de KOT. Deze bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om in het geval van belanghebbende tot een ander oordeel te komen.

De Commissie leidt uit de onderliggende stukken af dat belanghebbende over de maanden januari en februari 2010 geen gebruik maakte van gekwalificeerde kinderopvang. Belanghebbende heeft in haar bezwaarschriften hierover ook geen stellingen aangevoerd. Belanghebbende heeft aldus over deze maanden evident geen recht op KOT en er bestaat geen recht op compensatie.

De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

De compensatieberekening over de maanden maart tot en met december 2010 
In de beschouwing van 11 december 2025 heeft UHT toegelicht dat de rentevergoeding voor gemiste KOT over 2010 dient te worden aangepast van
€ 7.085 naar € 8.708. Het bezwaar van belanghebbende is in zoverre gegrond, zodat ook de vergoeding voor immateriële schade dient te worden aangepast.
Als einddatum dient daarbij de datum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen te worden gehanteerd. Deze aanpassingen hebben tevens gevolgen voor de aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal).

Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie het bezwaarschrift tegen het besluit van 16 december 2022 gedeeltelijk gegrond te verklaren.

O/GS-tegemoetkoming voor de maanden januari en februari 2010
De Commissie stelt vast dat UHT in de beschouwing heeft toegelicht hoe de berekening van de O/GS-tegemoetkoming tot stand is gekomen. In bezwaar heeft de gemachtigde niet inhoudelijk onderbouwd dat deze berekening onjuist zou zijn. De Commissie heeft in de wijze waarop deze tegemoetkoming is berekend geen onregelmatigheden aangetroffen.

De Commissie adviseert daarom het bezwaarschrift tegen het besluit van
27 januari 2023 ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding 
Nu het bestreden besluit van 16 december 2022 met kenmerk UHT-DCH naar het oordeel van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding, gebaseerd op één procespunt (indienen van een bezwaarschrift) met een wegingsfactor 2. In lijn met eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

De Commissie adviseert:

  • het bezwaar tegen het besluit van 16 december 2022 gedeeltelijk gegrond te verklaren. De compensatieberekening dient, voor wat betreft de rentevergoeding voor gemiste KOT, te worden aangepast naar € 8.708.
    De vergoeding voor immateriële schade dient te worden herzien, waarbij als einddatum wordt uitgegaan van de datum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen. De aanvullende vergoeding dient opnieuw te worden berekend;
  • het bezwaar tegen het besluit van 27 januari 2023 ongegrond te verklaren;
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de onderhavige bezwaar-procedure, uitgaande van één procespunt met een wegingsfactor 2 en toepassing van het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter