BAC 2025-16598
Publicatiedatum 21-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 5 december 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 24 april 2026 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 11 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT op 5 december 2023 genomen definitieve besluit kinderopvangtoeslag met kenmerk UHTDCHA (hierna: het bestreden besluit). Hierbij is aan belanghebbende met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2017 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 26 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2016 tot en met 2020. Na overleg tussen belanghebbende en UHT is dit verzoek beperkt tot de toeslagjaren 2017 tot en met 2019.
- UHT heeft bij voorlopige beslissing van 1 november 2023 met kenmerk
UHTVCH A aan belanghebbende meegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2017 tot en met 2019. - Belanghebbende heeft tegen voormelde beslissing een zienswijze ingediend.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 november 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2017 tot en met 2019.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat voor de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 geen compensatie zal worden verleend.
- Belanghebbende heeft bij brief van 16 januari 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 1 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 24 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 af te wijzen.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij in 2017 en 2019 gedeeltelijk, en in 2018 in het geheel niet heeft gewerkt en dat de opvangkosten in de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 ten onrechte steeds ongewijzigd zijn gebleven. Daarnaast voert belanghebbende aan dat hij lang op beslissingen van Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft moeten wachten. Voorts stelt belanghebbende dat bekenden van hem, die zich volgens hem in een vergelijkbare situatie bevonden, wel als gedupeerden zijn aangemerkt.
De Commissie stelt voorop dat de onderhavige bezwaarprocedure, gelet op het bepaalde in artikel 2.1, lid 1, Wht, uitsluitend ziet op de vraag of vóór 23 oktober 2019 sprake was van vooringenomen handelen door B/T, dan wel van hardheid.
De Commissie stelt vast dat de neerwaartse bijstellingen in de definitieve beschikkingen van 2018 en 2019 buiten de reikwijdte van de Wht vallen, nu deze beschikkingen dateren van respectievelijk 3 april 2020 en 6 november 2020.
Niet aannemelijk is geworden dat deze neerwaartse bijstellingen verband houden met een vooringenomen handelwijze van B/T van vóór 23 oktober 2019.
Ten aanzien van de overige neerwaartse bijstellingen in de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 overweegt de Commissie als volgt. De Wht voorziet in compensatie of een tegemoetkoming voor een ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van de aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van institutioneel vooringenomen handelen van B/T of dat sprake is geweest van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS-kwalificatie).
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat in de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 sprake is geweest van vooringenomen handelen van B/T, dan wel van bijzondere hardheid. Zoals UHT ter zitting heeft toegelicht, hielden de neerwaartse bijstellingen in voormelde jaren verband met een wijziging van de startdatum van de opvang, een door UWV doorgegeven wijziging in het aantal door belanghebbende gewerkte uren, en diverse wijzigingen in het gezamenlijk toetsingsinkomen van belanghebbende en zijn toeslagpartner. Naar de opvatting van de Commissie is sprake van reguliere wijzigingen, die in overeenstemming waren met de bij B/T bekende gegevens.
Voormelde bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Daargelaten de gevolgen van het standpunt van belanghebbende dat hij in 2017 en 2019 slechts een gedeelte van het jaar en in 2018 in het geheel niet zou hebben gewerkt – in die periode zou alsdan geen recht op KOT hebben bestaan - overweegt de Commissie dat belanghebbende in ieder geval niet is benadeeld,
nu de neerwaartse bijstellingen – ervan uitgaande dat wel recht op KOT bestond - voortvloeien uit reguliere wijzigingen. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat de hoogte van de aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) verschuldigde opvangkosten niet is gewijzigd, ondanks de omstandigheid dat als gevolg van zijn werkloosheid er bij hem sprake was van een lager inkomen, leidt de Commissie niet tot een andere opvatting. De maandelijkse facturen van de KOI zijn immers gebaseerd op de afgenomen opvang. De hoogte van deze facturen dient te worden onderscheiden van de aanspraak op KOT vanuit B/T. Naar de opvatting van de Commissie is in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen grond gelegen om aan te nemen dat B/T jegens belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld dan wel dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. Dat belanghebbende onevenredig lang heeft moeten wachten op beslissingen van B/T omtrent de KOT, is uit het dossier niet aannemelijk geworden en duidt ook overigens op zichzelf niet op een vooringenomen handelwijze door B/T, noch op hardheid van het stelsel. Voor een dergelijke conclusie zijn bijkomende omstandigheden nodig, die in dit geval niet zijn gesteld. Daarnaast is ook niet kunnen blijken dat in de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 sprake was van een onterechte O/GS-kwalificatie, zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Met betrekking tot de door belanghebbende gestelde strijd met het gelijkheidsbeginsel overweegt de Commissie dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarvan in zijn geval sprake is geweest. Belanghebbende heeft niet concreet gemaakt in welke gevallen UHT gedupeerde ouders, die in een gelijke situatie als belanghebbende verkeren, gunstiger heeft behandeld. Zonder een duidelijke, concrete verwijzing naar een gelijk geval, kan deze bezwaargrond niet slagen. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter