BAC 2025-16406
Publicatiedatum 15-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 21 augustus 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 28 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 6 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde) namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 17 maart 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- UHT heeft bij besluit van 2 juni 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 13 augustus 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 21 augustus 2024, ingekomen op dezelfde dag, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 16 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft het bezwaarschrift op 23 januari 2026 en 27 januari 2026 aangevuld.
- Op 28 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 16 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op dezelfde datum op gereageerd met vragen. Op 2 april 2026 heeft UHT hierop een reactie gegeven, op dezelfde datum gevolgd door een nadere reactie van gemachtigde.
- De Commissie heeft partijen op 3 april 2026 bericht dat zij overgaat tot adviseren.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Gelet op de aangevoerde bezwaargronden ziet de Commissie zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie over toeslagjaar 2006 af te wijzen. Daarnaast ziet de Commissie zich gesteld voor de vraag of UHT heeft voldaan aan haar verplichting om alle op zaak betrekking hebbende stukken over te leggen.
Toeslagjaar 2006 ‘KOT naar KOI’
Gevallen waarin de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kunnen volgens vaste uitvoeringspraktijk - zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT - een bijzondere omstandigheid opleveren die aanleiding geeft tot recht op compensatie wegens hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van ten minste € 1.500,- is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van ten minste € 1.500,- teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende (hierna: drempelbedrag).
Voor toeslagjaar 2006 staat tussen partijen vast dat er een bedrag van € 11.946,- is uitbetaald aan kinderopvanginstellingen en dat de KOT met meer dan € 1.500,- is verlaagd (productie (nummer)). UHT stelt dat van de twee kinderopvang-instellingen waaraan in 2006 uitbetaald is, aangenomen moet worden dat deze gelieerd waren. Bij gebrek aan informatie over de werkelijk genoten opvang, heeft UHT de werkelijke opvangkosten geschat aan de hand van de variabelen waarmee de definitieve beschikking tot stand is gekomen. Met deze schatting komt UHT uit op een bedrag van € 1.474,- dat te veel is uitbetaald aan de kinderopvanginstellingen en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende. UHT concludeert daarom dat niet aan het drempelbedrag van € 1.500,- is voldaan en belanghebbende zodoende niet in aanmerking komt voor een compensatie op grond van hardheid.
Belanghebbende betwist dit en voert aan dat zij over 2006 een eigen bijdrage heeft betaald van € 739,-. Dat bedrag moet volgens haar als onderdeel van de werkelijke opvangkosten worden beschouwd. Dit maakt dat de kinderopvanginstellingen in totaal € 2.212,- te veel hebben ontvangen, zodat wel degelijk aan het drempelbedrag van € 1.500,- is voldaan en zij aanmerking komt voor een compensatie op grond van hardheid. Belanghebbende verwijst hierbij naar een advies van de Commissie van 20 november 2024 met kenmerken (bac-nummer).
De Commissie overweegt in de eerste plaats dat niet is gebleken dat de eigen bijdrage(n) van ouder, UWV of gemeente eerst in mindering moeten worden gebracht op de daadwerkelijke kosten van opvang. De KOI had immers recht op dat bedrag (inclusief eigen bijdrage) en heeft dat dus niet te veel ontvangen.
In zoverre slaagt het betoog van belanghebbende niet.
De Commissie overweegt verder dat Afdeling 2.3.6. van het Handboek Vaktechniek bepaalt dat als er omstandigheden zijn waaronder strikte toepassing van hierboven genoemd stappenplan leidt tot een onevenredige uitkomst, kan worden afgeweken van een strikte toepassing. De Commissie is van oordeel dat dergelijke omstandigheden hier aan de orde zijn. UHT heeft haar berekening immers gemaakt op basis van een schatting van de werkelijke opvangkosten.
Daarbij merkt de Commissie op dat uit het dossier niet volgt dat belanghebbende destijds door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) is gevraagd naar de werkelijke genoten opvang in 2006 en dit dus ook niet heeft kunnen onderbouwen. Ook is niet gebleken dat B/T hier onderzoek naar heeft gedaan nadat belanghebbende op 12 december 2006 tegen de terugvorderingsbeschikking over 2006 in bezwaar ging en stelde dat zij dacht dat er een fout was gemaakt (productie (nummer)). Het niet kunnen vaststellen van de werkelijke kosten kan naar de opvatting van de Commissie aldus niet aan belanghebbende worden toegerekend. De schatting die UHT hanteert is geen absoluut gegeven en dient met een zekere marge, bandbreedte te worden bezien. Uit de gehanteerde schatting volgt dat het drempelbedrag met een verschil van
€ 26,- niet wordt gehaald. Dit verschil is marginaal te achten en zodanig dat niet kan worden uitgesloten dat het drempelbedrag bij het hanteren van de werkelijke opvangkosten wél zou zijn bereikt. De Commissie is daarom van oordeel dat in deze omstandigheden moet worden aangenomen dat het drempelbedrag van
€ 1.500,- bereikt is.
De Commissie adviseert UHT daarom om aan belanghebbende alsnog een compensatie op grond van hardheid toe te kennen over toeslagjaar 2006.
Stukken O/GS-beoordeling
Belanghebbende verzoekt om inzage in alle stukken die ten grondslag liggen aan de conclusie van UHT dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie.
UHT stelt zich op het standpunt dat er geen stukken gevonden zijn die tot de conclusie kunnen leiden dat sprake was van een O/GS-kwalificatie ten aanzien van de KOT en er zodoende ook geen nadere stukken gedeeld zullen worden met belanghebbende.
De Commissie volgt UHT niet in haar opvatting dat er om die reden geen stukken gedeeld hoeven te worden met belanghebbende. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Dit geldt naar het oordeel van de Commissie ook voor de stukken die UHT in haar reactie van 16 maart 2026 noemt en waarover zij het standpunt heeft ingenomen dat deze niet met belanghebbende zullen worden gedeeld. UHT noemt deze stukken immers ter onderbouwing van haar beoordeling, zodat moet worden aangenomen dat deze stukken ten grondslag liggen aan haar beoordeling en op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545.
Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de beoordeling dat geen sprake was van een O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en om:
- alsnog compensatie op grond van hardheid (KOT naar KOI) over toeslagjaar 2006 toe te kennen;
- belanghebbende inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter