Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16789

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 12 december 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 9 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 6 mei 2026

Samenvatting

De Commissie adviseert om het bezwaar tegen het besluit met het kenmerk UHT-DCHOA ongegrond te verklaren en aan belanghebbende geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 22 september 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 en 2008. Nadien is dit verzoek in overleg met belanghebbende gewijzigd naar de jaren 2008 tot en met 2011.
  • UHT heeft bij beschikking van 17 november 2022 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
  • UHT heeft bij bestreden definitieve beschikking van 12 december 2024 met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 17 december 2024, ontvangen op 24 december 2024, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 23 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 9 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij ouder niet in persoon aanwezig was maar wel haar gemachtigde. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 23 april 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft op 28 april 2026 daarop gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commmissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Vertrouwensbeginsel
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat UHT gehouden was om ook bij de integrale beoordeling het standpunt in te nemen dat belanghebbende als gedupeerde van de toeslagaffaire moet worden aangemerkt. Belanghebbende beroept zich daarbij op het vertrouwen dat zou zijn gewekt door de beschikking tot toekenning van een uitkering van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling van 17 november 2022 en de correspondentie die daarop is gevolgd. De Commissie merkt daarover het volgende op.

In het kader van de hersteloperatie KOT heeft het kabinet eind 2020 aanvullende maatregelen genomen met als doel ouders gericht sneller recht te kunnen doen. Eén van die maatregelen betreft het uitkeren van een forfaitair bedrag van
€ 30.000 aan   ouders die een verzoek voor herstel met toepassing van de zogenoemde herstelregelingen hadden ingediend. De maatregel is uitgewerkt in een besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 18 maart 2021, nr. 2021-30659, Stcrt. 2021, 14691. Paragraaf 2.2. (“Goedkeuring forfaitair bedrag”) van dat besluit houdt onder meer het volgende in: “(Ik keur goed) dat de Belastingdienst/Toeslagen een forfaitair bedrag van € 30.000 kan uitkeren aan ouders die (…) in aanmerking komen voor compensatie of tegemoetkoming op grond van (een van de) herstelregelingen.” En paragraaf 2.3 (“Procedure”):
“Voor een tijdige uitbetaling van het forfaitaire bedrag van € 30.000 zal in bepaalde gevallen of groepen van gevallen worden volstaan met een lichte toets. Bij een latere integrale beoordeling op grond van de herstelregelingen kan een hernieuwde toets plaatsvinden, waarbij opnieuw op basis van de voorwaarden voor de herstelregeling wordt getoetst of recht bestaat op een (hogere) compensatie of tegemoetkoming. (….). Indien het definitieve bedrag aan compensatie of tegemoetkoming op grond van de herstelregelingen na integrale beoordeling op een hoger bedrag wordt vastgesteld dan het uitgekeerde forfaitaire bedrag (…) zal uitsluitend het meerdere aan de ouder worden uitbetaald. In het geval het definitieve bedrag aan compensatie of tegemoetkoming op grond van de herstelregelingen op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het (…) forfaitaire bedrag van € 30.000, zal er geen bedrag meer aan de ouder worden uitbetaald.
Dit leidt overigens niet tot het (deels) terugvorderen van het forfaitaire bedrag, nu dit het minimumbedrag is waarop de ouder aanspraak heeft. (…).”.

Het besluit van UHT van 17 november 2022 waarbij aan belanghebbende een uitkering op grond van deze Catshuisregeling werd toegekend, houdt onder meer in: Wij zijn van mening dat u in aanmerking komt voor de betaling van € 30.000.
Dit is het bedrag dat u in ieder geval van ons krijgt voor de situatie met uw kinderopvang-toeslag (…). Wij hebben uw situatie nog niet helemaal beoordeeld. Dat gaan wij nog doen. Hebt u dan recht op meer dan € 30.000? Dan krijgt u een aanvulling op het bedrag dat u al van ons hebt ontvangen. (…).

De inhoud van dit besluit wijkt inhoudelijk niet af van datgene wat over de aard van de uitkering van € 30.000 in het hiervoor aangehaalde besluit van de Staatssecretaris van 18 maart 2021 is vermeld. Met name valt in het besluit - afgezien van de toezegging dat betrokkene die € 30.000 nooit hoeft terug te betalen - niet de toezegging te lezen dat ook bij de integrale beoordeling van het verzoek voor herstel met toepassing van de herstelregelingen zal worden aangenomen dat belanghebbende is aan te merken als een gedupeerde die (in beginsel) aanspraak heeft op een compensatie op grond van die herstelregelingen. Juist bij de integrale beoordeling kan immers informatie naar boven komen die maakt dat de uitkomst, in negatieve zin, afwijkt van die van de eerste, lichte toets. Dat betekent dat het beroep van belanghebbende op een door het besluit van
17 november 2022 en eventuele correspondentie naar aanleiding van dit besluit gewekt vertrouwen in andere zin, faalt. Om dezelfde redenen kan aan correspondentie die naar aanleiding van dat besluit heeft plaatsgevonden geen vertrouwen worden ontleend voor de uitkomst van de integrale beoordeling.

Toeslagjaren 2008 tot en met 2011
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat ten onrechte geen compensatie is toegekend voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.

In 2008 heeft één neerwaartse bijstelling plaatsgevonden. Bij beschikking van 5 februari 2010 is de definitieve KOT verlaagd van € 1.367 naar € 1.361 wegens een verhoging van het toetsingsinkomen.

Voor 2009 hebben twee neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. Bij beschikking van 28 augustus 2010 is de KOT verlaagd van € 6.491 naar € 6.457. Vervolgens heeft tussentijds een opwaartse correctie plaatsgevonden, waarna de definitieve KOT bij beschikking van 16 oktober 2012 alsnog neerwaarts is gecorrigeerd naar
€ 6.457. De neerwaartse correcties hangen allebei samen met een verhoging van het toetsingsinkomen.

Ten aanzien van 2010 heeft op 16 februari 2012 een nihilstelling plaatsgevonden.

Aanleiding hiervoor was dat belanghebbende op 22 juli 2011 een antwoordformulier aan B/T heeft toegezonden, waarin zij heeft verklaard in dat jaar geen gebruik te hebben gemaakt van kinderopvang.

Hetzelfde geldt voor 2011. Ook over dat jaar is de KOT op nihil gesteld, namelijk bij beschikking van 10 mei 2013. Ook hieraan lag een door belanghebbende op 21 augustus 2012 aan B/T toegezonden antwoordformulier ten grondslag, waarin zij heeft aangegeven in dat jaar geen gebruik te hebben gemaakt van kinderopvang.

De terugvordering KOT over deze toeslagjaren was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Voor het toeslagjaar 2011 was wel sprake van een O/GS-kwalificatie, maar deze was volgens UHT terecht, zodat ook om die reden geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

O/GS stukken
De Commissie overweegt dat in de onderhavige procedure de (wijze van) vaststelling dat sprake was van O/GS aan de orde is geweest. Belanghebbende heeft gesteld dat zij deze constatering nader toegelicht wil hebben met onderbouwende stukken.

De Commissie acht het in dit opzicht onvoldoende dat door UHT uitsluitend wordt verwezen naar productie 1300001 in het dossier, waarin slechts de vaststelling ‘O/GS’ te lezen is en niet hoe die is vastgesteld. De Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de aanvankelijke O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545 en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenveroordeling toe te kennen conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om belanghebbende geen proceskosten-vergoeding toe te kennen.

Conclusie

Gelet het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHOA ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter