BAC 2025-16494
Publicatiedatum 15-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 3 februari 2025 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 9 maart 2026
Overdracht advies aan UHT: 5 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 3 februari 2025 (UHT-DCHOA). Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 10 augustus 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2010. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit aangepast naar de jaren 2006 tot en met 2011.
- UHT heeft bij brief van 27 september 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 17 januari 2025 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2011.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 14 februari 2025 tegen het bestreden besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 15 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 20 februari 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 9 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, ondanks daartoe door de Commissie ter zitting te zijn verzocht, geen nadere schriftelijke reactie ingediend. Wel heeft UHT de gemachtigde per e-mail van 1 april 2026 meegedeeld dat de toeslagjaren 2009 en 2011 alsnog zullen worden gecompenseerd op basis van vooringenomen handelen. Op 30 april 2026 is door UHT een nader aanvullend stuk ingebracht.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen is besproken tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.
De toeslagjaren 2009 en 2011
UHT heeft bevestigd dat belanghebbende voor de toeslagjaren 2009 en 2011 alsnog zal worden gecompenseerd op basis van vooringenomen handelen vanwege de redenen die in de aanvullende gronden en op de hoorzitting zijn genoemd. De Commissie maakt dit oordeel tot de hare en adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.
Geen vooringenomen handelen of hardheid
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de aanpassingen van de KOT voor de toeslagjaren 2007, 2008 en 2010 zijn gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen en toegezonden jaaropgaven, inkomenswijzigingen en/of op de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn. Voor toeslagjaar 2006 geldt dat het toegewezen KOT-bedrag niet is gewijzigd.
In toeslagjaar 2007 is de toegewezen KOT eerst tweemaal verhoogd omdat belanghebbende het aantal afgenomen opvanguren verhoogde. Vervolgens is de KOT eerst verlaagd omdat belanghebbende het aantal afgenomen opvanguren verlaagde. De KOT is een tweede maal verlaagd omdat belanghebbende het opvangtype wijzigde van dagopvang naar BSO toen het kind van belanghebbende naar de basisschool ging.
Over het toeslagjaar 2008 is de KOT alleen verhoogd op basis van wijzigingen doorgegeven door belanghebbende. Er is over dit jaar geen KOT teruggevorderd door B/T.
In toeslagjaar 2010 is de toegewezen KOT eerst verlaagd omdat belanghebbende het aantal afgenomen opvanguren heeft verlaagd van 150 naar uiteindelijk 42 uur per maand. Hierna is de KOT verder verlaagd op basis van het door belanghebbende ingestuurde informatieformulier en de jaaropgave.
B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de inkomensgegevens van ouders die in het systeem van de belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvang-instellingen verstrekken.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2006, 2007, 2008 en 2010 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvorderingen KOT waren gelegen in een te hoog voorschot dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in dit geval anders te oordelen. Verder zijn er geen aanwijzingen dat B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de onterechte veronderstelling dat zij opzettelijk of door grove schuld ten onrechte KOT heeft ontvangen, zodat op een tegemoetkoming daarvoor geen aanspraak kan worden gemaakt.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel met betrekking tot de toeslagjaren 2006 tot en met 2008 en 2010 van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Proceskostenvergoeding
Nu het bestreden besluit zal worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en om:
- Het bestreden besluit te herroepen en aan belanghebbende op grond van vooringenomen handelen compensatie toe te kennen voor de toeslagjaren 2009 en 2011; en
- Een proceskostenvergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee tegen de hoogste vergoeding per procespunt
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter