Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16440

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 20 december 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 4 maart 2026

Overdracht advies aan UHT: 5 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 20 december 2024 (bestreden besluit).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 en 2010.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 17 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 en 2010.
  • UHT heeft bij besluit van 16 december 2021 en bij herzien besluit van
    27 september 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 12 december 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 en 2010.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 16 december 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 15 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 4 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 9 en 10 maart 2026 een aanvullende schriftelijke reactie ingediend.
  • Gemachtigde heeft, eveneens daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 9 en 10 maart 2026 gereageerd op de aanvullende schriftelijke reactie van UHT.
  • Op 16 april 2026 heeft UHT informatie ingezonden van nader onderzoek inzake O/GS en op dezelfde datum heeft gemachtigde op die informatie gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Gelet op de aangevoerde bezwaargronden ziet de Commissie zich gesteld voor de vraag of UHT op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2010 af te wijzen.

Hardheidsclausule
Op de hoorzitting is namens belanghebbende betoogd dat met betrekking tot toeslagjaar 2010 sprake is van een bijzondere situatie zoals bedoeld in artikel 9.1 van de Wht. Belanghebbende kreeg te maken met een terugvordering van € 461,-. Dit is een aanzienlijk bedrag voor haar, gelet op de woningbrand die – vlak voor deze terugvordering – in de zomer van 2010 had plaatsgevonden. Door de terugbetalingen is belanghebbende in financiële problemen gekomen. B/T heeft geen rekening gehouden met deze omstandigheden.

De Commissie stelt vast dat belanghebbende na de stopzetting van de KOT nog een bedrag van € 3.246,- moest terugbetalen, waarvan € 2.785,- is afgeboekt, zodat een bedrag van € 461,- resteerde (productie 2800006, p. 210).

Over toeslagjaar 2010 hebben in de periode van 21 oktober 2010 tot en met 19 november 2012 in totaal 18 terugbetalingen plaatsgevonden, hetgeen duidt op een toegekende betalingsregeling (productie 2800006, p. 210).

De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 9.1, lid 1, van de Wht bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden kan afwijken van artikel 2.1, voor zover toepassing van dit artikel gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die heeft verzocht om de toekenning.

Daarbij volgt uit de wetsgeschiedenis bij artikel 9.1 van de Wht dat de hardheidsclausule is bedoeld voor een bijzondere situatie waarin niet is voorzien en waarin toepassing van de wet tot een zeer onbillijke uitkomst leidt. Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat vasthouden aan de toepassing van de desbetreffende bepaling voor degene die heeft verzocht om toekenning van een van de genoemde herstelregelingen, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

De Commissie is van oordeel dat een dergelijke bijzondere situatie zich hier niet voordoet. Dat belanghebbende in een lastige – financiële en woon -situatie zat wordt niet betwist. Er is door belanghebbende geen nadere informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat de in het LIC overzicht zichtbare terugbetalingen van € 20,- respectievelijk € 27,- per maand in de jaren 2011 en 2012 haar in zodanige problemen hebben gebracht dat die terugbetalingen moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die de toekenning van compensatie op grond van artikel 9.1. lid 1 van de Wht rechtvaardigen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Onderliggende stukken O/GS-beoordeling
Belanghebbende verzoekt om de onderliggende stukken O/GS. Zij stelt voldoende te hebben gemotiveerd waarom zij deze stukken van belang acht. In haar reactie van 16 april 2026 heeft gemachtigde haar verzoek nader gespecificeerd. Belanghebbende wil inzicht hebben in welke, op haar persoonlijke situatie toegespitste, regeling is aangevraagd en wat aan belanghebbende is toegekend.

De Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling.
De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende voert aan dat UHT bij de totstandkoming van het bestreden besluit in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

Daaromtrent overweegt de Commissie als volgt. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, is dat in de loop van de bezwaarprocedure afdoende geheeld – behoudens nog nader toe te lichten O/GS - mede aan de hand van wat daarover in haar beschouwing en nadere beschouwingen is opgemerkt.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren. Daarnaast adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het nemen van het besluit op bezwaar aan belanghebbende inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter