BAC 2025-16518
Publicatiedatum 14-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 27 juni 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 20 februari 2026 om 11:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 5 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT op 27 juni 2024 genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DCHOA (hierna: het bestreden besluit). Hierbij is aan belanghebbende met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2007.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 19 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2005 tot en met 2012. Na overleg tussen belanghebbende en UHT is dit verzoek beperkt tot de toeslagjaren 2005 tot en met 2007.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 juni 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2007.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2007.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 juli 2024 tegen het bestreden besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 18 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 20 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 27 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 11 maart 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Onvolledig dossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat het dossier onvolledig is. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 22 augustus 2025 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Inhoudelijke bezwaren
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2007 af te wijzen.
Toeslagjaar 2005
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in het toeslagjaar 2005 vooringenomen heeft gehandeld. Belanghebbende voert aan dat de wijziging die heeft geleid tot de neerwaartse bijstelling van
22 november 2005 niet aan hem kan worden toegerekend. Het moet ervoor worden gehouden dat B/T de wijziging eigenstandig heeft doorgevoerd, aldus belanghebbende. UHT heeft toegelicht dat geen aanwijzingen zijn gevonden voor de conclusie dat B/T de KOT ambtshalve heeft gewijzigd, nu een melding daarvan in het RKT-bestand ontbreekt. Nu de wijziging gedurende het jaar heeft plaatsgevonden, op een moment waarop de opvanggegevens nog niet bij B/T bekend waren, is het volgens UHT aannemelijk dat deze wijziging door belanghebbende is doorgevoerd. Bovendien komen de in deze beschikking vermelde gegevens overeen met de opvangkosten in de jaaropgave over 2005, aldus UHT.
De Commissie overweegt dat belanghebbende geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de zienswijze van UHT. Met UHT is de Commissie dan ook van opvatting dat het bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, niet aannemelijk is dat de neerwaartse bijstelling van 22 november 2005 het gevolg is geweest van vooringenomen handelen door B/T.
Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat B/T vooringenomen heeft gehandeld door zonder nadere uitvraag uit te gaan van onjuiste gegevens en de KOT op 17 juli 2006 neerwaarts bij te stellen. Belanghebbende betwist dat hij twee antwoordformulieren heeft ingediend en dat één formulier niet is voorzien van de opvanggegevens van het tweede kind. Volgens belanghebbende bestond daartoe geen aanleiding en is dit evenmin aannemelijk, gelet op het feit dat hij, gezien zijn administratieve functie, over voldoende administratieve vaardigheden beschikt. Belanghebbende voert aan dat hij slechts één antwoordformulier heeft ingediend, voorzien van de opvanggegevens en jaaropgaven ten aanzien van beide kinderen. Gelet op het feit dat voor twee kinderen KOT was aangevraagd en twee jaaropgaven zijn ingediend, had het volgens belanghebbende op de weg van B/T gelegen om een vraagbrief te sturen. UHT heeft aangevoerd dat voormelde neerwaartse bijstelling het gevolg was van een menselijke fout en dat B/T aan het bezwaar van belanghebbende is tegemoetgekomen. Dit duidt niet op een vooringenomen handelwijze van B/T, aldus UHT.
De Commissie overweegt ter zake als volgt. De Commissie acht het voldoende aannemelijk dat de neerwaartse bijstelling van 17 juli 2006 het gevolg is van een fout aan de zijde van B/T bij het verwerken van de gegevens van beide kinderen. Voorts acht de Commissie het overtuigend dat belanghebbende de voor de vaststelling van de KOT voor beide kinderen benodigde gegevens heeft aangeleverd. Daarmee staat vast dat B/T ten onrechte slechts voor één kind KOT heeft toegekend. De Commissie overweegt dat voor institutionele vooringenomenheid echter meer is vereist dan een onjuiste of onzorgvuldige verwerking van gegevens door B/T. Daarvoor moet sprake zijn van een bevooroordeelde of structureel onjuiste handelwijze jegens de ouder, zoals het zonder individuele beoordeling onthouden, stopzetten of terugvorderen van KOT. Van dergelijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken. Naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende is de KOT vervolgens op 15 november 2006 weer opwaarts bijgesteld. Uiteindelijk is de KOT waarop belanghebbende voor twee kinderen recht had, ook daadwerkelijk toegekend. De Commissie begrijpt dat de aanvankelijk onjuiste verwerking van de opvanggegevens door B/T tot moeilijkheden voor belanghebbende heeft geleid. Dit laat evenwel onverlet dat van een vooringenomen handelwijze van B/T geen sprake is geweest.
Ten overvloede merkt de Commissie nog op dat de tweede neerwaartse bijstelling niet heeft geleid tot een daadwerkelijk terugbetaling van KOT door belang-hebbende, maar dat alleen sprake is geweest van een interne verrekening in het KOT-jaar zelf.
Voorts acht de Commissie de stelling van UHT dat bij de terugvorderingen van de KOT in het toeslagjaar 2005 geen sprake is geweest van bijzondere hardheid van het stelsel, navolgbaar. De Commissie heeft daarvoor geen aanknopingspunten gevonden. Verder was er in dit toeslagjaar ook geen sprake van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS-kwalificatie), zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende heeft nog betoogd dat over het toeslagjaar 2005 compensatie dient te worden toegekend op grond van de hardheidsclausule in de zin van artikel 9.1 van de Wht. Met de toepassing van deze bepaling kan van de artikelen 2.1 en 2.6 Wht worden afgeweken voor zover de toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die heeft verzocht om toekenning. Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwd dat in zijn geval sprake is van bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden, op grond waarvan de hardheids-clausule uit artikel 9.1 Wht op hem van toepassing is. Van een bijzondere situatie waarin niet is voorzien en waarin toepassing van de artikelen 2.1 en 2.6 Wht tot een zeer onbillijke uitkomst leidt, is niet gebleken. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2006 en 2007
De Commissie heeft evenmin aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2006 en 2007 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen van KOT over voormelde toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen, als gevolg van stopzettingen van de KOT door belanghebbende en door een gewijzigd toetsingsinkomen, neerwaarts bijgesteld. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een compensatie wegens hardheid. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te adviseren. Er was in deze jaren evenmin sprake van een onterechte O/GS-kwalificatie, zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden. Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijk Incassocentrum (LIC) - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Aangezien de Commissie zal adviseren het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit dus niet te herroepen, komen de kosten van rechtsbijstand niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie en advies
Samengevat adviseert de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter