Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16758

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 29 mei 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 1 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit herbeoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 15.068 voor het toeslagjaar 2014 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 7 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015, 2016 en 2017. Nadien is in overleg met belanghebbende dit verzoek uitgebreid met de jaren 2014, 2018 en 2019.
  • UHT heeft bij besluit van 21 augustus 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-, maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 4 april 2024 met kenmerk UHT-VCH aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van
    € 15.033 voor het toeslagjaar 2014 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2019.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 17 mei 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat artikel 2.1, eerste lid van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij het bestreden definitieve besluit van 29 mei 2024 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van € 15.068 voor het toeslagjaar 2014 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft op 27 juni 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 8 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 27 januari 2026 heeft de Commissie gemachtigde per e-mail gevraagd of belanghebbende gebruik wilde maken van  het recht om te worden gehoord. Tevens heeft de Commissie meegedeeld dat, indien van dit recht zou worden  afgezien, belanghebbende nog de mogelijkheid heeft om binnen  vijf weken  aanvullende gronden in te dienen. Bij e-mail van 28 januari 2026 heeft belanghebbende te kennen gegeven niet ter hoorzitting te zullen verschijnen.
  • Op 2 april 2026 heeft gemachtigde een aanvullende reactie ingediend. UHT heeft op 28 april 2026 op deze aanvulling gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, volgend op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.

Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Gemachtigde heeft het ouderdossier op 25 februari 2025 ontvangen. De schriftelijke beschouwing van UHT met de bijbehorende producties is op 22 januari 2026 naar gemachtigde gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Uit het verzoek van belanghebbende om toezending van het persoonlijk dossier, volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de totstandkoming van het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie is in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt dan ook ongegrond.

Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.

De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) of bijzondere omstandigheden in een toeslagjaar acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist.
De Commissie adviseert UHT daarom dit deel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Forfaitaire bedrag materiële en immateriële schade
Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. Op grond van artikel 2.3 lid 3 van de Wht is de vergoeding voor materiële schade gelijk aan 25 procent van het bedrag dat als gevolg vanhet besluit niet is toegekend of teruggevorderd.
Op grond van artikel 2.3lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste besluit als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van het eerste besluit tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in Home | Schadeherstel Toeslagen.

Toeslagjaren 2015 tot en met 2019
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.

In de toeslagjaren 2016 en 2019 hebben geen neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden.

In 2015 is de KOT tweemaal neerwaarts bijgesteld. Nadat belanghebbende op
16 januari 2015, met ingang van 19 januari 2015, zelf het aantal opvanguren had verlaagd van 228 naar 190 uur, is de KOT bij besluit van 21 februari 2015 vastgesteld op € 14.265. Vervolgens is de KOT, naar aanleiding van een door belanghebbende doorgegeven wijziging, tussentijds opwaarts bijgesteld naar
€ 16.457. De daaropvolgende neerwaartse bijstelling is het gevolg van door belanghebbende verstrekte aanvullende informatie en heeft geleid tot een vaststelling bij beschikking van 21 oktober 2015 op € 15.652.

In 2017 is de KOT bij besluit van 9 februari 2018 verlaagd van € 18.576 naar
€ 17.879, naar aanleiding van een door belanghebbende zelf doorgegeven wijziging in het aantal opvanguren en het uurtarief per 9 december 2017.

Ook in 2018 heeft eenmaal een neerwaartse bijstelling plaatsgevonden. Belanghebbende heeft op 11 december 2017, met ingang van 1 januari 2018, wederom het aantal opvanguren en het uurtarief verlaagd. Dit heeft geleid tot een verlaging van de KOT bij besluit van 22 januari 2018 van € 18.576 naar € 9.016.

De terugvordering KOT over de toeslagjaren 2015, 2017 en 2018 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen.
Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie is van oordeel dat ook dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Beoordeling per jaar

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.

De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden in een toeslagjaar acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. De Commissie adviseert UHT daarom dit deel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om gegevens in de viewer in te vullen.

De Commissie is van oordeel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie van de KOI-viewer, tenzij er indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit zou kunnen blijken dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel. De Commissie adviseert UHT dit bezwaar ongegrond te verklaren.

Beslissen op bezwaar
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het niet beslissen op bezwaren die in de herbeoordeelde jaren door belanghebbende zijn gemaakt, vooringenomen handelen oplevert.

De Commissie stelt vast dat een dergelijke situatie zich in het geval van belanghebbende niet heeft voorgedaan en adviseert daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Registratie KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.

Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan UHT gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening
Belanghebbende verzoekt om een herberekening van component a.

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van 13 weken nadat de aangifte Inkomstenbelasting op 1 april van het jaar volgens op het tegemoetkomingsjaar is ingediend, definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan.

De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT
Belanghebbende verzoekt de Commissie advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen gevolgen van het overschrijden van de voor UHT geldende (beslis)termijnen.

De Commissie gaat aan dit verzoek voorbij, nu de door UHT gehanteerde termijnen van beslissen buiten het kader van haar bevoegdheden vallen als bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit Bezwaarschriftenadviescommissie Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken en hardheid van het toeslagenstelsel.

FSV-lijst, O/GS en discriminatie
Belanghebbende stelt dat de conclusies van UHT dat zij niet op de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) lijst heeft gestaan, dat zij niet voor een O/GS-tegemoetkoming en dat er geen sprake is geweest van discriminatie, niet worden onderbouwd met stukken.

  • FSV-lijst
    Het FSV-systeem is een afgesloten systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. In de (aanvullende) schriftelijke beschouwing is, samen met een kopie Dagboek FSV, aangegeven dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. De Commissie overweegt dat UHT mag uitgaan van de juistheid van deze raadpleging.
  • O/GS
    De Commissie overweegt dat in de onderhavige procedure de (wijze van) vaststelling dat sprake was van O/GS aan de orde is geweest. Belanghebbende heeft gesteld dat zij deze constatering nader toegelicht wil hebben met onderbouwende stukken.

De Commissie acht het onvoldoende dat door UHT uitsluitend wordt verwezen naar productie 1300001 in het dossier, waarin slechts de vaststelling ‘O/GS’ te lezen is en niet hoe dit is vastgesteld. De Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie.
Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen.
Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank
Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545 en
ECLI:NL:RBAMS:2026:3643. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Discriminatie
In de stukken van het bezwaardossier heeft de Commissie geen aanwijzingen gevonden dat in het geval van belanghebbende discriminatie heeft plaatsgevonden.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

    Proceskostenvergoeding
    Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenveroordeling toe te kennen conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om belanghebbende geen proceskosten toe te kennen.

    Conclusie

    Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.

    [handtekening]

    Secretaris

    [handtekening]

    Fungerend voorzitter