Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15812

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 21 februari 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 1 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Onderwerp van advies

De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 21 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHO (hierna: bestreden beschikking).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie wegens hardheid toegekend voor een bedrag van
€ 7.850,- (aangevuld tot € 30.000,-) voor het toeslagjaar 2010 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2008 en 2009.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 september 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2005 tot en met 2011. Na overleg tussen belanghebbende en UHT is dit verzoek ingekort tot de toeslagjaren 2008 tot en met 2010.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking van 21 februari 2024 met kenmerk UHTDCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 7.850,- (aangevuld tot € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling) voor het toeslagjaar 2010 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2008 en 2009.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 24 maart 2024 een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 1 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 17 december 2025 meegedeeld dat belanghebbende afziet van het recht om te worden gehoord en verzocht om advisering op grond van de stukken.
  • Op 10 februari 2026 heeft gemachtigde de bezwaargronden aangevuld.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 19 februari 2026 een aanvullende beschouwing ingediend.
  • Gelet op het verzoek van belanghebbende om de zaak op stukken af te doen, ziet de Commissie op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belanghebbende
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren
Belanghebbende verzoekt om zijn persoonlijk dossier en stelt dat bij gebreke daarvan geen volledig beeld kan worden gevormd over de zaak.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 1 juli 2025 aan gemachtigde toegezonden. UHT heeft zijn beschouwing aangevuld op 10 februari 2026 en toegezonden aan partijen op 18 februari 2026. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Inhoudelijke bezwaren
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het toeslagjaar 2010 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2008 en 2009 af te wijzen.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2008 en 2009
Belanghebbende betoogt dat UHT ten onrechte geen compensatie heeft toegekend wegens institutioneel vooringenomenheid voor toeslagjaren 2008 en 2009. Hij stelt dat UHT zonder andere bewijsvoering is uitgegaan van de gegevens van de KOI-viewer. Voor zowel toeslagjaar 2008 als 2009 zijn er geen jaaropgaves in het ouderdossier opgenomen en is er bij belanghebbende geen uitvraag gedaan over de werkelijke aantal opvang uren. Daarnaast stelt belanghebbende dat voor beide jaren de hoogte van de KOT onjuist is berekend wat leidt tot een vooringenomen handeling.

UHT verklaart dat zij in beginsel mogen uitgaan van de informatie van de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) in de KOI-viewer. UHT is van mening dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) destijds niet hoefde te twijfelen aan deze gegevens. Er is geen sprake van een ontbrekend kind of een ontbrekende KOI.
In de systemen van B/T zijn geen documenten of andere gegevens aangetroffen die afwijken van de gegevens van de KOI-viewer.

De Commissie overweegt als volgt. In toeslagjaar 2008 is er sprake geweest van een verlaging van € 3.961,- naar € 3.271,- op 28 december 2010 (p. 111 ouderdossier). Deze verlaging is een gevolg van de definitieve vaststelling van het inkomen van 2008, het gezamenlijke toetsingsinkomen bleek hoger te zijn.
Uit informatie verstrekt door de kinderopvang (p. 114 en p. 115) bleek dat beide kinderen 68 uur in plaats van 91 uur per maand hebben genoten. In toeslagjaar 2009 is de KOT verlaagd op 5 februari 2009 (p. 128 ouderdossier) wegens wijzigingen door belanghebbende (p. 127 ouderdossier). Uit dit XLM-bestand is af te lezen dat belanghebbende per 1 januari 2009 de uren voor één kind verlaagd van 91 naar 68 uur opvang per maand. De beschikkingen van 4 januari 2010 en 16 oktober 2010 zijn het gevolg van een hoger toetsingsinkomen (SASoverzicht op p. 68 ouderdossier). De Commissie kan het standpunt van UHT volgen waaruit blijkt dat er geen sprake is van institutioneel vooringenomenheid in de toeslagjaren 2009 en 2009. Ook is de Commissie niet gebleken van andere omstandigheden op grond waarvan compensatie op grond van hardheid in de rede lag.

De Commissie adviseert UHT dan ook om het bezwaar in zoverre ongegrond te verklaren.

Beoordeling toewijzing compensatie toeslagjaar 2010
De Commissie ziet zich vervolgens gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor toeslagjaar 2010 op de juiste wijze heeft berekend.

Belanghebbende betoogt dat UHT ten onrechte geen compensatie heeft toegekend wegens vooringenomenheid voor het toeslagjaar 2010. Hij stelt dat in het ouderdossier geen melding van de stopzetting van de KOT is opgenomen.
Op pagina 158 van het ouderdossier is te lezen dat de stopzetting niet op grond van een melding vanuit de KOI is gedaan, maar op 3 september 2010 vanwege informatie uit de KOI-viewer. Het is onduidelijk volgens belanghebbende of er uitvraag is gedaan aan haar of aan de KOI wat leidt tot een vooringenomen handeling.

Volgens UHT heeft KOI ‘Hefgroep’ informatie doorgegeven dat beide kinderen van belanghebbende per 1 januari 2010 geen opvang meer genoten (p. 147 ouderdossier). B/T had volgens UHT geen reden om te moeten twijfelen aan deze informatie. Daarnaast heeft belanghebbende in het ouderverhaal (p. 27 ouderdossier) aangegeven dat de informatie die de kinderopvang heeft verstrekt correct is. Belanghebbende heeft wel op grond van hardheid compensatie mogen ontvangen van € 7.850,- over toeslagjaar 2010.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2010 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. Belanghebbende heeft het onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er opvang is genoten in toeslagjaar 2010. UHT heeft met onderliggende stukken aangetoond dat de opvang heeft verklaard dat er sinds 1 januari 2010 geen opvang is afgenomen voor beide kinderen.
De terugvordering van de KOT over deze toeslagjaren was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen in het aantal opvanguren, het uurtarief, het toetsingsinkomen en het aantal kinderen dat naar de opvang ging, opnieuw berekend.
Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Heroverweging door UHT
Naar aanleiding van het bezwaar heeft UHT de bestreden beschikking heroverwogen. Uit de beschouwing van UHT volgt dat deze heroverweging er niet toe leidt dat de compensatieberekening moet worden aangepast. De Commissie overweegt dat de conclusies van UHT, die door belanghebbende niet meer inhoudelijk bestreden zijn, navolgbaar zijn en steun vinden in het dossier.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Met de in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken, is (thans) geen sprake van strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel.
De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit kan onbeantwoord blijven, nu één en ander niet leidt tot het herroepen ervan.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Overige bezwaren

Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren hardheid wordt aangenomen en voor andere jaren niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken:
“Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren.
Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Verzoek herbeoordeling alle KOT-jaren
Belanghebbende betwist of alle toeslagjaren zijn meegenomen in de herbeoordeling. Hij verzoekt om alle toeslagjaren mee te nemen. UHT stelt dat uit het SAS-overzicht (p. 65 ouderdossier) te zien is dat er een aanvraag KOT is gedaan in de toeslagjaren 2008, 2009 en 2010. De Commissie stelt dat met het SAS-overzicht voldoende gesteld kan worden dat alle KOT-jaren zijn herbeoordeeld.
De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Beslissing op bezwaar
Belanghebbende stelt dat B/T bewust vaak geen beslissingen op bezwaar maakte, zodat gedupeerde ouders de toegang tot de rechter kon worden onthouden.
Voor de jaren waarin geen beslissing op bezwaar is genomen, is er sprake van een vooringenomen handeling. UHT verklaart dat belanghebbende geen bezwaar heeft ingediend met betrekking tot de KOT in de toeslagjaren 2008, 2009 en 2010.
De Commissie volgt het standpunt van belanghebbende niet nu er geen bezwaren zijn ingediend tegen de KOT in de toeslagjaren 2008, 2009 en 2010. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Omissies/niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Verrekeningen
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die aan de KOT is gegeven. De nu voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij een verzoek daartoe indienen bij de CWS.
Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir
Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.

Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

FSV, O/GS en discriminatie
Gemachtigde heeft aangevoerd dat over de O/GS-kwalificatie en discriminatie geen algemene informatie te vinden is in het dossier. Ten aanzien van de FSV-check stelt gemachtigde dat dit een vast onderdeel betreft van het herstelproces en dat de onderliggende stukken overgelegd dienen te worden. De Commissie stelt vast dat uit de nadere beschouwing van UHT blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Hiervan heeft UHT een afschrift overgelegd. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt. De Commissie adviseert UHT om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar. De Commissie overweegt ten aanzien van de O/GS dat UHT in de beschouwing heeft toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GSkwalificatie en gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Ook uit andere omstandigheden is deze stelling niet aannemelijk geworden. Ten aanzien van discriminatie overweegt de Commissie dat van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, uit de ter beschikking staande stukken niet is gebleken. De Commissie adviseert UHT de bezwaren ongegrond te verklaren.

Werkelijk geleden schade
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in www.schadeherstel.toeslagen.nl.

Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor deze bezwaarprocedure. Nu het bezwaar volgens de Commissie ongegrond is komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie aan UHT, de hiervoor opgeworpen vragen bevestigend beantwoordend om:

  • Het bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHO ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten;
  • geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.            

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter