Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12508

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 6 februari 2023 (UHT-DCH ZV), herzien op 14 maart 2025 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 30 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door voormalig gemachtigde, opgevolgd door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (met kenmerk UHTDCH ZV). Het bezwaarschrift wordt met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ook geacht te zijn gericht tegen het herziene besluit van 14 maart 2025 (met kenmerk UHT-DCHO).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €38.352,- voor de jaren 2008 en de maanden mei tot en met december 2009 en geen compensatie toegekend voor de maanden januari tot en met april 2009 en de jaren 2010, 2014, 2015 en 2016. Deze beschikking is herzien met dien gevolge dat er compensatie is toegekend wegens hardheid voor de maanden januari tot en met april 2009, waardoor het compensatiebedrag werd bijgesteld tot €48.292,-.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). De jaren 2008, 2009, 2010, 2014, 2015 en 2016 zijn betrokken in de herbeoordeling.
  • UHT heeft bij besluit van 1 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 13 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2010 en 2014 tot en met 2016. Voor de maanden januari tot en met april 2009 is geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wht wel van toepassing is.
  • UHT heeft bij besluit met kenmerk UHT-DCH ZV aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de maanden januari tot en met april 2009 en de jaren 2010, 2014, 2015 en 2016. Voor het jaar 2008 en de maanden mei tot en met december van 2009 is compensatie toegekend wegens vooringenomen handelen. UHT heeft aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 38.352,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 6 maart 2023, ingekomen op 8 maart 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 februari 2024 het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 4 december 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • UHT heeft op 14 maart 2025 bij herzien besluit met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende meer compensatie toegekend voor de maanden januari tot en met april 2009 wegens hardheid en het compensatiebedrag vastgesteld op
    € 48.292,-.
  • Op 23 oktober 2025 heeft gemachtigde aan de Commissie gemeld dat belanghebbende geen gebruik maakt van de mogelijkheid de bezwaren op een hoorzitting toe te lichten. De Commissie ziet daarom op grond van artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende. De voor 12 november 2025 geplande hoorzitting is geannuleerd.
  • UHT heeft op 27 oktober 2025 een nadere beschouwing uitgebracht voor de toeslagjaren 2005, 2006, 2007, 2011, 2012, 2013, 2017, 2018 en 2019.
  • Er heeft op verzoek van gemachtigde een nadere schriftelijke ronde plaatsgevonden. Gemachtigde heeft op 18 november 2025 aanvullende bezwaargronden ingediend. UHT heeft op 3 februari 2026 een nadere schriftelijke beschouwing van 18 december 2025 en nadere stukken ingediend. Gemachtigde heeft daar op 24 februari 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Herzien besluit tijdens bezwaarprocedure
UHT heeft hangende de bezwaarprocedure tegen het besluit van 6 februari 2023 een herziene beslissing genomen, omdat de compensatie te laag was vastgesteld. Het bezwaarschrift tegen het besluit van 6 februari 2023 wordt met toepassing van artikel 6:19 van de Awb ook geacht te zijn gericht tegen het herziene besluit van
14 maart 2025.

Te beoordelen jaren in bezwaar
De Commissie stelt vast dat in de loop van de bezwaarprocedure ook de toeslagjaren 2005, 2006, 2007, 2011, 2012, 2013, 2017, 2018 en 2019 door UHT zijn beoordeeld. UHT heeft over deze jaren met name in de beschouwingen van
27 oktober en 18 december 2025 en de over die jaren ingezonden stukken standpunt ingenomen over het recht op compensatie.

De Commissie ziet zich daarom gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2007, 2008 en 2009 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005, 2006,  2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019 af te wijzen.

Afzien van het horen
De Commissie heeft kennis genomen van de melding dat belanghebbende afziet van haar recht op een hoorzitting. Daarom adviseert de Commissie op basis van de voorhanden stukken. De Commissie constateert dat de belanghebbende blijkens het gestelde op de eerste bladzijden van de schriftelijke reactie van 18 november 2025 van de gemachtigde over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de BAC.
Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke discussie over het verschil van opvatting. De BAC volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de BAC, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriftenadviescommissie Hersteloperatie Toeslagen.

Geen persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De (aanvullende) beschouwingen en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 van de Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid met de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Geen vooraankondiging en geen zienswijze
Belanghebbende heeft aangevoerd geen vooraankondiging te hebben ontvangen, waardoor zij destijds niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken. UHT heeft dit erkend en tevens betreurd dat sprake is van een versnipperd dossier en procesvoering. De Commissie deelt de kritiek van gemachtigde op dit punt omdat daarmee niet overeenkomstig de voorgeschreven gang van zaken is gehandeld en eerst in de loop van de procedure de besluiten van een toereikende – en deels afwijkende- motivering zijn voorzien. Naar het oordeel van de Commissie heeft belanghebbende in deze bezwaarprocedure afdoende de gelegenheid gekregen en benut om haar bezwaren tegen de besluiten en nadere standpuntbepaling van UHT toe te lichten en van bewijsstukken te voorzien. Tekortkomingen zijn daarmee in de loop van de procedure hersteld. De door gemachtigde verzochte vernietiging wegens de aanvankelijke gebreken gaat evenwel de bevoegdheid van de Commissie en UHT te buiten. Het toekennen van vergoeding van proceskosten vloeit – zoals hierna zal blijken – reeds voort uit de beoordeling in bezwaar.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar, ondanks de gebreken in de voorbereiding van de besluiten, ongegrond te verklaren.

Beoordeelde jaren 2005, 2006, 2017, 2018 en 2019
De Commissie overweegt dat uit de beschikbare stukken in het dossier blijkt dat voor de jaren 2005, 2006 en 2017 tot en met 2019 geen KOT-aanvragen zijn ingediend of beschikkingen zijn genomen. In haar laatste reactie heeft gemachtigde over deze jaren vermeld de informatie daarover van UHT voor kennisgeving aan te nemen. Gelet hierop gaat de Commissie ervan uit dat deze jaren niet (langer) in geschil zijn.

Toeslagjaren 2007, 2008 en 2009
UHT heeft over het in de bezwaarprocedure beoordeelde toeslagjaar 2007 alsnog compensatie toegekend wegens vooringenomen handelen. De Commissie neemt hier met instemming kennis van. UHT heeft een voorlopige compensatie-berekening over 2007 gemaakt. Belanghebbende heeft in haar reactie van
24 februari 2026 verzocht bij de compensatieberekening uit te gaan van de werkelijke opvangkosten en de berekening zo nodig aan te passen. De Commissie adviseert UHT om de berekening van de compensatie bij de beslissing op bezwaar van een inzichtelijke toelichting te voorzien. Over de toegekende compensatie over toeslagjaar 2008 en – in de loop van de bezwaarprocedure bij besluit van 14 mei 2025 ook over geheel 2009 - heeft UHT in de beschouwing van 18 december 2025 nadere uitleg gegeven. De Commissie heeft met instemming kennis genomen van de  toegelichte compensatie voor deze beide jaren. Met betrekking tot het jaar 2007 is het bezwaar volgens de Commissie dus gegrond. Over het jaar 2009 is UHT aan het bezwaar tegemoetgekomen, zoals ook blijkt uit de schriftelijke reactie van gemachtigde van 18 november 2025.

Toeslagjaar 2010
Volgens belanghebbende is de KOT op 30 december 2009 met ingang van
1 februari 2010 ambtshalve stopgezet. In de reactie van 24 februari 2026 stelt zij dat gelet op de gehanteerde GDL-code de stopzetting niet door haar is gedaan.

De Commissie overweegt dat het aannemelijk is dat de KOT door of namens  belanghebbende is stopgezet nu de leverancierscode WBKV is opgenomen in het XMLbestand (productie 1210003, pagina 411). Vermelding van die code betekent dat de ouder een formulier heeft gedownload van het platform van de Belastingdienst. Dit formulier kon (ook) via de post worden ingediend. Als een medewerker van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) de KOT zou hebben stopgezet, zou het XMLbestand een user-ID van de medewerker bevatten.
Deze ontbreekt zodat aannemelijk is dat de KOT door of namens belanghebbende is stopgezet. Het bezwaar treft dan ook geen doel.

In het bezwaarschrift van 6 maart 2023 heeft belanghebbende gesteld dat in het jaar 2010 sprake van hardheid van het stelsel is geweest omdat bij belang-hebbende is teruggevorderd. UHT heeft in de beschouwing van 4 december 2024 toegelicht dat de KOT over de maanden na januari 2010 direct is afgeboekt en er niets is teruggevorderd, zoals uit het LIC overzicht blijkt. Gemachtigde heeft daarover geen nadere gronden aangevoerd. De Commissie meent dat UHT de gang van zaken afdoende heeft toegelicht en adviseert dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2011, 2012 en 2013
Ten aanzien van de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 stelt belanghebbende dat de KOT als gevolg van de ambtshalve stopzetting in 2010 niet verlengd is.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder toeslagjaar 2010 door de Commissie is overwogen, adviseert de Commissie om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren nu niet aannemelijk is dat de KOT ambtshalve is stopgezet en er geen aanknopingspunten in het dossier zijn dat voor die jaren (opnieuw) KOT is aangevraagd (zie ook het aanvraagoverzicht KOT jaren, blz 134 ouderdossier), is beschikt en KOT is uitbetaald. In het ouderverhaal heeft belanghebbende ook meegedeeld dat zij in de jaren 2011, 2012 en 2013 geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang (blz 20 eerste dossier, informatie-beoordelingsformulier).

Toeslagjaar 2014
Belanghebbende is van mening dat zij gecompenseerd dient te worden over toeslagjaar 2014, nu er enkel op basis van gegevens uit de KOI-viewer over is gegaan tot terugvordering. Daarnaast verkeert belanghebbende inmiddels in bewijsnood door verloop van vele jaren.

UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat B/T uit mocht gaan van de juistheid van de gegevens in de KOI-viewer, nu er geen redenen waren om daaraan te twijfelen. Bovendien heeft belanghebbende destijds geen bezwaar ingesteld tegen de terugvorderingsbeschikking. Volgens UHT heeft belanghebbende daarom geen recht op compensatie over toeslagjaar 2014.

De Commissie overweegt als volgt. De KOT is aangepast naar aanleiding van informatie uit de KOI-viewer waaruit naar voren kwam dat de periode waarop ouder recht had op KOT wijzigde van 17 februari 2014 tot en met 31 december 2014 naar 17 februari 2014 tot en met 31 mei 2014.

Uit het dossier blijkt dat er geen uitvraag is gedaan bij belanghebbende, terwijl het gaat om een aanzienlijke inkorting van de periode en daarmee verlaging van de KOT. De afwijking in de informatie van de KOI-viewer ten opzichte van de aangevraagde KOT in februari 2014 was dusdanig dat niet zonder nadere uitvraag op de KOI-viewer mocht worden afgegaan. Belanghebbende is daardoor onvoldoende in de gelegenheid gesteld om haar recht op KOT aannemelijk te maken. Dat in het ouderverhaal is vermeld dat in 2014 de kinderopvang is opgezegd doet daar niet aan af. Deze informatie is niet zodanig gespecificeerd dat daarmee evidentie over de periode na mei 2014 is ontstaan. De Commissie acht het daarom aangewezen dat belanghebbende alsnog compensatie wegens vooringenomenheid over het jaar 2014 ontvangt.

Toeslagjaar 2015 en 2016
Tussen partijen is niet in geschil dat B/T ten aanzien van toeslagjaar 2015 en 2016 groepsgewijs vooringenomen heeft gehandeld. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregel-matigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in de jaren 2015 en 2016, nu belanghebbende in die jaren geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang.
Dat volgt uit het feit dat er geen gegevens in de KOI-viewer (productie 1215008 en 1216011) staan, aldus UHT.

De Commissie overweegt als volgt. Van de juistheid van de gegevens in KOI-viewer mag in principe alleen worden uitgegaan wanneer zij daarin zijn opgenomen.
De gegevens werden namelijk op aanvraag door de kinderopvanginstelling verstrekt. Bovendien is de Commissie bekend dat kinderopvanginstellingen tot
1 januari 2022 niet verplicht waren om gegevens aan te leveren voor de KOI-viewer. Het ontbreken van gegevens in dat systeem kan daarom niet zonder meer tot de conclusie leiden geen geregistreerde opvang heeft plaatsgevonden.
Echter, belanghebbende heeft in het ouderverhaal (productie 0200001, pagina’s 22 en 23) verklaard geen gebruik te hebben gemaakt van opvang gedurende 2015 en 2016. Uit de BVR-gegevens (pagina 21, informatiebeoordelingsformulier) blijkt dat belanghebbende in 2015 ook verhuisd is van het adres bij haar moeder in Rotterdam naar Prinsenbeek, zoals ook in de beschouwing van UHT van
18 december 2025 is vermeld. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Bezwaarprocedures
Belanghebbende stelt verder dat over de jaren waarover zij bezwaar heeft gemaakt geen beslissing op bezwaar is genomen en dat om deze reden sprake is van vooringenomen handelen.

De Commissie overweegt dat uit de stukken in het dossier is gebleken dat belanghebbende ten aanzien van de beschikking over toeslagjaar 2009 op
22 mei 2014 een bezwaarschrift heeft ingediend (productie 0200001, pagina 21).
Op dit bezwaarschrift is op 18 juli 2014 een beslissing op bezwaar genomen.
Ten aanzien van de overige beoordeelde jaren is niet gebleken dat belang-hebbende destijds een bezwaar heeft ingediend. Deze bezwaargrond treft daarom geen doel.

Registratie Landelijk Register Kinderopvang
Belanghebbende betoogt dat haar niet kan worden tegengeworpen dat gebruik is gemaakt van een niet in het Landelijk Register Kinderopvang (hierna: LRK) opgenomen kinderopvanginstelling.

De Commissie overweegt dat haar uit de voorhanden zijnde stukken niet is gebleken dat belanghebbende wordt tegengeworpen dat gebruik is gemaakt van een kinderopvanginstelling die niet kon beschikken over een geldige LRK-registratie. Deze bezwaargrond treft daarom geen doel.

Berekening compensatiebeschikking
Belanghebbende stelt dat UHT onvoldoende helder en begrijpelijk aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt hoe de onderdelen van de compensatieberekening zijn opgebouwd.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van de berekeningen. De compensatieberekening is vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. Duidelijk is dat deze berekeningen aanpassing vergen op basis van de beoordeling in bezwaar. De Commissie Adviseert UHT dit bij de beslissing op bezwaar te doen.

Toetsing juistheid toegekende KOT
Belanghebbende stelt dat ook dient te worden beoordeeld of de kinderopvang-toeslag destijds op juiste hoogte is vastgesteld.

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en geen betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-besluiten. Voor zover belanghebbende verzoekt om een aanpassing van de hoogte van de KOT over het betrokken toeslagjaar zoals deze indertijd definitief is vastgesteld, geldt daarom dat een beoordeling hiervan buiten de reikwijdte van de Wht valt. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Verloop wettelijke beslistermijn, art. 19 Awir, geen vooraankondiging art. 6.7 Wht Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

FSV-lijst
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom nog uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken.
De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.

O/GS
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing, onder verwijzing naar een aanvullende productie, toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd.  

De Commissie is van mening dat belanghebbende recht heeft de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling.
De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid (naam) die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Discriminatie
Belanghebbende voert aan dat toezichtsystemen (RKT/FSV) discrimineerden op basis van een buitenlandse achternaam. Voorts verwijst belanghebbende met een link naar een publicatie van het College voor de Rechten van de Mens.
Uit onderzoek zou blijken dat mensen van buitenlandse komaf aanzienlijk vaker werden geselecteerd voor een HOTHOR-signalering dan personen met een Nederlandse achtergrond. Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, is de Commissie uit de ter beschikking staande stukken, niet gebleken.

Aanvullende schadevergoeding
Belanghebbende stelt dat zij meer schade heeft geleden dan nu gecompenseerd is. De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade.  Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in https://schadeherstel.toeslagen.nl/.

Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende volgens de Commissie in dit geval recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (indienen bezwaarschrift en indienen bezwaarschrift later beoordeelde jaren) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • Compensatie op grond van vooringenomenheid toe te kennen voor toeslagjaar 2007;
  • Compensatie op grond van hardheid van het stelsel toe te kennen voor de periode januari tot en met april 2009;
  • Compensatie op grond van vooringenomenheid toe te kennen voor toeslagjaar 2014;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief;
  • belanghebbende inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren.             

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter