Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16663

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 13 november 2024 met kenmerk UHT-DCHOA

Hoorzitting: 14 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 29 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskosten-vergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door de UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 13 november 2024, met kenmerk UHT-DCHOA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2015.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 4 december 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2015 (hierna: de betrokken jaren).
  • UHT heeft bij besluit van 14 maart 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • UHT heeft bij besluit van 10 oktober 2024 aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat zij voorlopig geen recht heeft op compensatie.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 oktober 2024 aan UHT uitgebracht. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 13 november 2024, met kenmerk UHTDCHOA, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2012 tot en met 2015.
  • De gemachtigde heeft bij brief van 26 februari 2025 een bezwaarschrift ingediend tegen het bestreden besluit.
  • UHT heeft op 29 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 1 april 2026 een aanvullend bezwaarschrift ingediend.
  • Op 14 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van deze hoorzitting is een verslag opgemaakt, dat als bijlage bij dit advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie zal allereerst ingaan op de bezwaren van belanghebbende die zien op de op de zaak betrekking hebbende stukken, vermeende strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en het beginsel van “equality of arms”, het motiverings-en zorgvuldigheidsbeginsel en O/GS-kwalificatie.

Op de zaak betrekking hebbende stukken
De Commissie merkt op dat zij fungeert als een onafhankelijke bezwaarschriften-adviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen zoals neergelegd in de Awb.
Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken.

De Commissie stelt vast dat de gemachtigde op 25 augustus 2025 in het bezit is gesteld van het ouderdossier.

De Commissie heeft op 21 januari 2026 het ouderdossier en de beschouwing van 29 augustus 2025 naar gemachtigde gestuurd. Het ouderdossier is daarbij aangevuld met de producties 2800001 tot en met 2800009. 

De Commissie is van oordeel dat belanghebbende hiermee alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ontvangen.

Gelet hierop adviseert de Commissie UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Strijd met artikel 6 EVRM en het beginsel van “equality of arms”
De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reacties, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad. Nog los van de vraag of dat beginsel als zodanig van toepassing is in de bezwaarfase, volgt de Commissie gemachtigde daarom niet in de stelling dat het beginsel van ‘equality of arms’ zoals genoemd in artikel 6 EVRM, geschonden zou zijn. De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Het motiverings-en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig en deugdelijk is gemotiveerd.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT het bestreden besluit uitvoerig en goed onderbouwd heeft gemotiveerd. In de beschouwing van
29 augustus 2025 heeft UHT, met verwijzing naar diverse producties van de onderliggende stukken, op een inzichtelijke wijze toegelicht waarom belanghebbende over de betrokken jaren geen recht heeft op compensatie.
Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.

O/GS-kwalificatie
De Commissie acht het ontoereikend dat UHT op pagina 275 van het ouderdossier enkel heeft opgenomen dat er geen sprake is geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie. Het antwoord op de vraag hoe deze vaststelling tot stand is gekomen ontbreekt. De informatie op grond waarvan B/T heeft vastgesteld of belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie, maakt onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. B/T moet daarbij toelichten welke gegevensbronnen zijn geraadpleegd. Als de beoordeling van B/T (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over de belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet B/T die vaststelling onderbouwen door bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Naar het oordeel van de Commissie kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld hoe de conclusie is getrokken dat geen sprake is van O/GS. B/T heeft onvoldoende toegelicht in welke systemen is gezocht en welke resultaten daarin zijn aangetroffen. Nu deze stukken in het dossier ontbreken, kan niet worden vastgesteld dat B/T de benodigde kennis over de relevante feiten heeft vergaard en berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. De Commissie verwijst hierbij mede naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545 en de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 708, nr. 68). In zoverre slaagt de bezwaargrond.

Aan UHT wordt geadviseerd voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van het bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

De Commissie zal nu verder ingaan op de toeslagjaren 2012 tot en met 2015. 

Geen reguliere bijstellingen over de toeslagjaren 2012 en 2013
De Commissie overweegt dat voor toekenning van compensatie op grond van institutionele vooringenomenheid of toepassing van de hardheidsregeling in beginsel vereist is dat sprake is geweest van een neerwaartse aanpassing van de KOT. Als in het betreffende toeslagjaar geen neerwaartse bijstelling heeft plaatsgevonden, bestaat in beginsel geen grond voor compensatie.

Voor de toeslagjaren 2012 en 2013 is de KOT niet neerwaarts bijgesteld zodat er geen grond is om compensatie toe te kennen. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

Reguliere bijstellingen voor de toeslagjaren 2014 en 2015 
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2014 en 2015 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld, noch dat het stelsel in deze gevallen te hard heeft uitgewerkt. De bijstellingen van de KOT waren gebaseerd op de vaststelling dat eerder een te hoog voorschot was toegekend, waarna dit voorschot op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is vastgesteld.

De Commissie merkt met betrekking tot het toeslagjaar 2014 in het bijzonder op dat belanghebbende de KOT op 20 februari 2014 met ingang van 1 maart 2014 heeft stopgezet. Op 11 juni 2014 heeft zij opnieuw KOT aangevraagd met ingang van 16 juni 2014, voor buitenschoolse opvang met een omvang van 57 uur per maand. Hieruit volgt niet dat belanghebbende de KOT heeft beëindigd vanwege oplopende terugvorderingen of financiële druk. Uit de KOI-viewer blijkt bovendien dat de opvangperioden overeenstemmen met de definitieve beschikking van
10 juli 2015, waarin de KOT is vastgesteld op € 2.962. Daarbij is uitgegaan van een toetsingsinkomen van € 14.997 en de afwezigheid van een toeslagpartner.
De Commissie stelt vast dat deze bijstellingen in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving zijn uitgevoerd.

Met betrekking tot het toeslagjaar 2015 overweegt de Commissie als volgt.
Op grond van artikel 8a van het Besluit kinderopvangtoeslag wordt het aantal te vergoeden opvanguren vastgesteld aan de hand van het aantal gewerkte uren.
In dit geval is, uitgaande van 589 gewerkte uren, het aantal opvanguren voor buitenschoolse opvang vastgesteld op 70% daarvan, hetgeen neerkomt op 35 uur per maand.

De Commissie stelt voorop dat deze berekening voortvloeit uit een dwingend-rechtelijke systematiek, waarbij het aantal te vergoeden opvanguren rechtstreeks is gekoppeld aan het aantal gewerkte uren. Voor afwijking van deze systematiek bestaat geen ruimte. Uit het dossier blijkt dat bij beschikking van 28 maart 2017 het aantal opvanguren is verlaagd van 57 naar 35 uur per maand. Belanghebbende heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij beslissing op bezwaar van 13 mei 2017 ongegrond is verklaard. Daarbij is expliciet toepassing gegeven aan de wettelijke systematiek van artikel 8a, hetgeen heeft geleid tot het vastgestelde aantal van 35 uur per maand.

Het enkele feit dat belanghebbende deze uitkomst als onjuist, complex of onredelijk ervaart, kan niet leiden tot het oordeel dat sprake is van institutionele vooringenomenheid. Voor een dergelijk oordeel is vereist dat sprake is van een structureel en collectief patroon van rigide, niet op de individuele omstandigheden toegesneden besluitvorming. Daarvan is in dit geval niet gebleken. De Commissie ziet dan ook geen aanknopingspunten voor het aannemen van institutionele vooringenomenheid.

Ten aanzien van het beroep op hardheid overweegt de Commissie dat daarvan slechts sprake kan zijn als de toepassing van de wettelijke regeling leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dit vereist uitzonderlijke en zwaarwegende omstandigheden die uitstijgen boven de normale, door de wetgever beoogde gevolgen van de regeling. Dat de uitkomst voor belanghebbende nadelig uitpakt, is daarvoor onvoldoende. Uit vaste jurisprudentie volgt bovendien dat terughoudendheid moet worden betracht bij het aannemen van hardheid in gevallen waarin de uitkomst rechtstreeks voortvloeit uit de wettelijke systematiek.

Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken.
De Commissie ziet dan ook geen grond om af te wijken van de toepassing van de geldende regelgeving.

Ten slotte is niet gebleken van een onterechte O/GS-kwalificatie, zodat geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het bestreden besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter