BAC 2025-16434
Publicatiedatum 14-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 21 november 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 29 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren voor toeslagjaar 2015 en aan belanghebbende alsnog compensatie toe kennen op grond van vooringenomenheid en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de voormalig gemachtigde ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit).
Kantoorgenoot van de gemachtigde staat belanghebbende nu bij.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 26 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). UHT heeft de jaren 2013 tot en met 2019 herbeoordeeld.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 8 november 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2013 tot en met 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 28 november 2024, ingekomen op diezelfde dag, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 16 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft de Commissie op 21 april 2026 verzocht om de behandeling van het bezwaarschrift op stukken af te doen.
- De Commissie heeft op dezelfde dag aan partijen bevestigd dat de hoorzitting geen doorgang zal vinden en dat de Commissie zal adviseren aan de hand van de stukken.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Motivering bestreden besluit/ zorgvuldigheid / volledig dossier
Belanghebbende voert aan, samengevat weergegeven, dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Belanghebbende verzoekt daarnaast om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling van belanghebbende dat de motivering van het bestreden besluit onvolledig moet worden geacht of dat de voorbereiding daarvan onzorgvuldig is geweest.
De Commissie constateert dat UHT in bezwaar een schriftelijke onderbouwing heeft ingediend, waarin UHT een aanvullende uitgebreide uitleg heeft gegeven met behulp van het informatie- en beoordelingsformulier, overzichten van het Landelijk Incassocentrum en overige producties. Naar het oordeel van de Commissie is het bestreden besluit hierdoor voorzien van een dragende motivering.
Voorts overweegt de Commissie dat de schriftelijke beschouwing en het ouderdossier op 10 juli 2025 aan belanghebbende zijn toegezonden. Gemachtigde en belanghebbende hebben hierdoor kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en zij hebben de gelegenheid gehad daarop te reageren. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2013 tot en met 2019 af te wijzen.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge, het bepaalde in de Wht, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst / Toeslagen (hierna: B/T) of hardheid van het stelsel.
Alsnog vooringenomenheid in toeslagjaar 2015
Over toeslagjaar 2015 is de KOT bij definitieve beschikking van 6 oktober 2017 verlaagd op grond van onvoldoende gewerkte uren, lagere opvangkosten volgens de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) en een aangepast toetsingsinkomen.
De Commissie is van oordeel dat deze verlaging van de KOT onbegrijpelijk is.
Belanghebbende was in 2015 student en dus doelgroeper, waardoor zij recht had op KOT. Dit is ook met zoveel woorden vermeld in het informatie- en beoordelingsformulier (p.30). Met dit gegeven valt niet te rijmen dat een opgaaf van het UWV waaruit blijkt dat belanghebbende onvoldoende uren zou hebben gewerkt, zonder enige uitvraag aanleiding had mogen gegeven tot verlaging van de KOT.
De Commissie is van oordeel dat, indien B/T twijfels had over de door het UWV aangeleverde gegevens, het op de weg van B/T had gelegen om nadere informatie bij belanghebbende op te vragen. Het niet doen van deze uitvraag getuigt van vooringenomen handelen van B/T. Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om aan belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen voor toeslagjaar 2015 op grond van vooringenomenheid.
Toeslagjaren 2016 tot en met 2019
De Commissie stelt vast dat over de toeslagjaren 2013, 2014 en 2018 geen verlagingen of terugvorderingen hebben plaatsgevonden.
Over de toeslagjaren 2016 en 2019 was sprake van verlagingen van KOT, deze waren echter het gevolg van door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen (opvanguren en uurtarief). Over 2017 is de toeslag verlaagd op basis van de jaaropgave, waaruit bleek dat recht bestond op minder KOT.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van KOT voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2017 en 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen KOT over die toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat er te hoge voorschotten waren toegekend. Die voorschotten zijn door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
De Commissie heeft geen aanleiding gevonden om te oordelen dat B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de onterechte aanname dat belanghebbende opzettelijk of grofschuldig ten onrechte KOT heeft ontvangen.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (bezwaarschrift zonder hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en om:
- aan belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen voor toeslagjaar 2015 op grond van vooringenomenheid;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van één procespunt met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter