Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15950

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 18 juli 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 9 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 29 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag van 18 juli 2024 (hierna: het bestreden besluit), inhoudende dat aan belanghebbende met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie of tegemoetkoming is toegekend voor de toeslagjaren 2005, 2006 en 2007.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 2 januari 2024 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2005 tot en met 2008. In overleg met belanghebbende is de herbeoordeling beperkt tot de toeslagjaren 2005, 2006 en 2007.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft op 10 juli 2024 aan UHT geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij voorlopig besluit van 18 juni 2024, met kenmerk UHT-VCH A, aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op (een vergoeding op grond van) één van de drie herstelregelingen. 
  • UHT heeft bij het bestreden besluit  aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2005, 2006 en 2007.
  • Belanghebbende heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is op
    1 november 2024 door UHT ontvangen.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 6 januari 2025, ontvangen op 9 januari 2025, het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 15 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
  • Belanghebbende heeft bij e-mail van 8 april 2026 zijn bezwaar nogmaals aangevuld en de Commissie geïnformeerd dat hij niet bij de geplande hoorzitting aanwezig kan zijn.
  • Op 9 april 2026 heeft de hoorzitting met UHT plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder zijn persoonlijk dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt deze stelling van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn op 9 februari 2026 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie is van oordeel dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

Herbeoordeling toeslagjaar 2007
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij hem om informatie had moeten vragen, nadat B/T op 26 juni 2007 de jaaropgave had ontvangen. Hieruit bleek dat er tot het einde van 2006 opvang was genoten en dat de door belanghebbende op 22 april 2007 doorgegeven stopzetting per 31 augustus 2006, onjuist was. Belanghebbende is van mening dat B/T in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door na te laten navraag bij hem te doen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft belanghebbende verwezen naar de uitspraken ELCI:NL:RBZWB:2023:1269, ECLI:NL:2023:3475, ECLI:NL:RBROT:2024:10629 en ECLI:NL:RBGEL:2024:7803.

De Commissie overweegt dat het gelijkheidsbeginsel inhoudt dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld en dat, indien dat niet het geval is, voor de ongelijke behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond moet bestaan. Belanghebbende leidt uit de door hem genoemde uitspraken af dat het niet kunnen vaststellen of informatiebrieven daadwerkelijk zijn verzonden gelijk is aan zijn situatie. De Commissie is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van gelijke gevallen, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2007 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De KOT is op nihil gesteld naar aanleiding van de stopzetting door belanghebbende. De Commissie acht het net als UHT op basis van het ouderverhaal aannemelijk dat belanghebbende de stopzetting zelf heeft doorgevoerd. Belanghebbende heeft op het wijzigingsformulier (op pagina 159 e.v. van het dossier) een kruisje gezet bij de stopzetting met als ingangsdatum 31 augustus 2006. Het formulier is op 22 april 2007 ondertekend. Dat deze wijziging achteraf gezien kennelijk niet de bedoeling van belanghebbende is geweest en onjuist was, leidt niet tot de conclusie dat B/T vooringenomen heeft gehandeld. B/T had geen aanleiding om aan de informatie van belanghebbende te twijfelen en mocht op basis hiervan de KOT vanaf de stopzettingsdatum beëindigen. Toen uit de later overgelegde jaaropgave 2006 bleek dat er tot en met december 2006 kinderopvang was genoten is dit door B/T aangepast. Maar er was geen contra-informatie voor wat betreft toeslagjaar 2007 overgelegd.

Belanghebbende stelt dat er geen KOT aan hem ten goede is gekomen in 2007.
De KOT voor 2007 was vastgesteld op € 4.200. Daarvan was op het moment van de stopzetting al € 2.100 naar de gemeente Zwolle overgemaakt. Het restant van
€ 2.100 is blijkens het LIC-overzicht (pagina 247 van het dossier) afgeboekt.
De gemeente Zwolle heeft het ontvangen bedrag van € 2.100 aan de B/T teruggestort. Nu belanghebbende de KOT met terugwerkende kracht heeft stopgezet met ingang van 31 augustus 2006, en geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit dat een gevolg was van zijn stopzetting en evenmin door belanghebbende opnieuw KOT is aangevraagd voor toeslagjaar 2007 is B/T er terecht van uitgegaan dat belanghebbende geen recht op KOT over 2007 had.
Er is om deze reden evenmin sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.
De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Herbeoordeling toeslagjaren 2005 en 2006
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2005 en 2006 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over deze toeslagjaren was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend.
Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend.

In 2005 is de KOT eenmaal verlaagd met € 9. UHT weet niet wat de reden hiervan is geweest, maar acht het aannemelijk dat de verlaging het gevolg was van de jaaropgave van de kinderopvang instelling. Nu het gaat om een zeer gering bedrag en belanghebbende ook geen bezwaar tegen de verlaging heeft gemaakt, ziet de Commissie hierin geen aanwijzing dat er sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T.

In 2006 is de KOT twee keer verlaagd. De eerste neerwaartse correctie was het gevolg van een hoger toetsingsinkomen en de tweede neerwaartse correctie was het gevolg van de stopzetting per 31 augustus 2006. De KOT is vervolgens weer verhoogd op basis van de jaaropgave over 2006. Hieruit bleek dat er tot en met december 2006 opvang was genoten.

Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Ex-partnerregeling
Belanghebbende wil graag in aanmerking komen voor de ex-partnerregeling. UHT heeft tijdens de zitting toegelicht dat het verzoek van belanghebbende om voor deze regeling in aanmerking te komen recentelijk is afgewezen, omdat hij in de periode waarover zijn ex-toeslagpartner gecompenseerd is – niet zijnde het jaar 2007 - al geen toeslagpartner meer was. Belanghebbende voldeed voor de ex-partnerregeling daarom niet aan de voorwaarden. Tegen deze afwijzing kan belanghebbende apart bezwaar maken.

De Commissie overweegt dat de ex-partnerregeling buiten de reikwijdte van deze procedure valt en laat deze daarom verder onbesproken.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek om toekenning van een proces-kostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter