BAC 2025-16408
Publicatiedatum 14-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 27 augustus 2024(UHT-DCHOA)
Overdracht advies aan UHT: 24 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking kinderopvangtoeslag van 27 augustus 2024 met kenmerk UHT-DCHOA (hierna: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 14 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2003 tot en met 2011.
In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit aangepast naar de jaren 2005 tot en met 2011. - De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 augustus 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een herstelregeling of tegemoetkoming voor de jaren 2005 tot en met 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 9 september 2024, ingekomen op 9 september 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 16 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 20 april 2026 heeft de gemachtigde via haar kantoorgenote de Commissie verzocht de zaak op de stukken af te doen. De Commissie ziet daarom, op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belanghebbende.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Ouderdossier
Belanghebbende heeft UHT verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken toe te zenden. De Commissie constateert dat het ouderdossier op 7 juli 2025 aan belanghebbende is toegezonden.
De beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.
De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikking op uitvoerige en draagkrachtige wijze heeft gemotiveerd en zorgvuldig heeft voorbereid. Met de beschouwing van 16 september 2025 heeft UHT een uitgebreide toelichting gegeven, onder meer aan de hand van LIC-overzichten en het SAS-rapport en overige relevante stukken. Deze documenten maken deel uit van de onderliggende stukken. De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Geen hardheid bij KOT naar KOI
Uit de onderliggende stukken is de Commissie gebleken dat voor de toeslagjaren 2005, 2008 en 2011 de KOT is verlaagd met een bedrag van meer dan € 1.500.
In deze jaren is de KOT rechtstreeks uitbetaald aan de kinderopvanginstelling.
Een zogenoemde KOT naar KOI-situatie. De Commissie overweegt hierover als volgt.
Gevallen waarin de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kunnen volgens vaste uitvoeringspraktijk - zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT - een bijzondere omstandigheid opleveren die aanleiding geeft tot recht op compensatie wegens hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van ten minste € 1.500 is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van ten minste € 1.500 teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende. De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.
De Commissie is van oordeel dat, gegeven deze praktijk, geen aanspraak bestaat op compensatie wegens hardheid van het stelsel. UHT heeft de berekening voor de jaren 2005, 2008 en 2011 in haar beschouwing nader toegelicht. Voor de jaren 2005 en 2008 is de KOT volledig ten goede gekomen aan belanghebbende omdat hiermee de feitelijke kosten voor opvang zijn betaald. Het bedrag dat in het jaar 2011 teveel is uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling en niet aan opvang is besteed, was lager dan € 1.500. Dit leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de hiervoor beschreven praktijk van UHT voor toekenning van compensatie wegens hardheid van het stelsel.
De Commissie heeft in de onderliggende stukken ook geen aanleiding kunnen vinden voor de opvatting dat UHT ten gunste van belanghebbende van deze praktijk had moeten afwijken. De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Reguliere bijstellingen
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2011 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. In de toeslagjaren 2006, 2009 en 2010 is de KOT niet verlaagd. De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2005, 2007, 2008 en 2011 waren gebaseerd op de vaststelling dat er te hoge voorschotten waren toegekend. Deze zijn door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter