Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16068

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 22 januari 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 20 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag. Dit besluit wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2013 tot en met 2016.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 2 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2013 tot en met 2019. In overleg tussen de persoonlijk zaakbehandelaar en belanghebbende is een herbeoordeling uitgevoerd over de toeslagjaren 2013 tot en met 2016.
  • UHT heeft bij besluit van 14 maart 2022 met kenmerk UHT CHR GU aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 9 januari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2013 tot en met 2016.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 1 maart 2024, ingekomen op 3 maart 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 19 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • De hoorzitting die op 5 januari 2026 zou plaatsvinden is wegens slechte weeromstandigheden niet doorgegaan.
  • Belanghebbende heeft vervolgens niet gereageerd op de voorstellen om in overleg opnieuw een hoorzitting in te plannen. De hoorzitting is daarom zonder overleg op 23 februari 2026 ingepland.
  • Belanghebbende heeft de Commissie op 23 februari 2026 geïnformeerd dat zij door ziekte niet bij de hoorzitting aanwezig kan zijn.
  • Belanghebbende heeft vervolgens niet gereageerd op verdere verzoeken om opnieuw een hoorzitting in te plannen. Zij was ook telefonisch niet bereikbaar. De Commissie heeft daarom besloten aan de hand van de stukken in het bezwaardossier te adviseren.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Afwijzing compensatie
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2013 tot en met 2016 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De verlagingen van de KOT over deze toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat te hoge voorschotten waren toegekend.

De KOT over het toeslagjaar 2013 is ten eerste verlaagd door een door belanghebbende doorgegeven wijziging. Haar jongste kind heeft van een andere kinderopvanginstelling gebruikgemaakt. Deze kinderopvanginstelling hanteerde een lager uurtarief, waardoor de KOT is verlaagd. De tweede verlaging is het gevolg van een stijging van het toetsingsinkomen en naar aanleiding van gegevens van de kinderopvanginstelling waaruit volgde dat minder opvanguren waren afgenomen. Er bestond geen reden voor B/T om aan de juistheid van deze gegevens te twijfelen. De KOT over het toeslagjaar 2014 is viermaal verlaagd. De verlagingen waren het gevolg van wijzigingen in het uurtarief, het aantal opvanguren en verhoging van het toetsingsinkomen. Nadat de KOT op grond van de door de kinderopvanginstelling doorgegeven gegevens was verlaagd, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De KOT is vervolgens op grond van de door belanghebbende in bezwaar overgelegde jaaropgave verhoogd. Er bestond voor B/T in eerste instantie geen aanleiding om aan de door de kinderopvanginstelling doorgegeven gegevens te twijfelen. B/T mocht zich daarom bij de vaststelling van de hoogte van de KOT op deze gegevens baseren. De KOT over het toeslagjaar 2015 is ten eerste verlaagd als gevolg van de stopzetting van de KOT door belanghebbende op 8 januari 2015 per 14 januari 2015. De tweede verlaging is gedaan naar aanleiding van de in het bezwaar met betrekking tot toeslagjaar 2014 overgelegde jaaropgave waaruit volgde dat belanghebbende na september 2014 geen kinderopvang meer had afgenomen. Belanghebbende heeft in het gesprek met de persoonlijk zaakbehandelaar ook verklaard dat zij in 2015 geen kinderopvang heeft afgenomen. De KOT over het toeslagjaar 2016 is verlaagd als gevolg van de stopzetting van de KOT door belanghebbende per 16 juli 2016 en op grond van door belanghebbende doorgegeven wijzigingen in het aantal opvanguren.

De voorschotten over de toeslagjaren 2013 tot en met 2016 zijn dus vanwege reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er zijn ook geen aanwijzingen dat B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de veronderstelling dat deze opzettelijk of door grove schuld onterecht KOT heeft ontvangen, zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop te baseren tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar ongegrond te verklaren.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar ongegrond te verklaren;
  • het bestreden besluit in stand te laten.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter