Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16531

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 14 december 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 19 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: de bestreden beschikking).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 27.975 voor het jaar 2006 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2005.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 22 februari 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2006. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is het verzoek uitgebreid met het jaar 2005.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 14 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende het jaar 2005 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende compensatie toegekend voor het jaar 2006 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2005.
  • Gemachtigde heeft bij brief 18 januari 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 21 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail van 22 januari 2026 aan de Commissie laten weten dat belanghebbende geen behoefte heeft aan een hoorzitting en dat mag worden overgegaan tot advisering op basis van stukken. Gemachtigde heeft in deze email tevens aangegeven op korte termijn nadere gronden op te zullen sturen.
  • De Commissie heeft gemachtigde bij e-mail van 5 maart 2026 een herinnering gestuurd om nadere gronden aan te leveren met een uiterste termijn van één week.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail van 11 maart 2026 aangegeven geen ouderdossier en schriftelijke beschouwing te hebben ontvangen. De Commissie merkt hierbij op dat het ouderdossier op 17 september 2024 door UHT en opnieuw op
    12 januari 2026 namens de Commissie aan gemachtigde is toegezonden.
  • Op 16 maart 2026 heeft de Commissie het volledige dossier toch nogmaals aan gemachtigde toegezonden met een nieuwe uiterste termijn van één week.
  • Gemachtigde heeft op 31 maart 2026 een aanvullend bezwaarschrift ingediend. Op verzoek van de Commissie heeft UHT daar op 14 april 2026 op gereageerd met een aanvullende beschouwing.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor  het jaar 2006 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2005 af te wijzen.

Belang van hoor en wederhoor
De Commissie constateert dat de belanghebbende blijkens het gestelde op de eerste bladzijden van de aanvullende reactie van de gemachtigde over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de BAC. Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke discussie over het verschil van opvatting. De BAC volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de BAC, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriftenadviescommissie Hersteloperatie Toeslagen.

Persoonlijk dossier
Belanghebbende verzoekt in het bezwaarschrift van 18 januari 2024 om toezending van het persoonlijk dossier. Daarnaast stelt belanghebbende in haar e-mail aan de Commissie van 11 maart 2026 geen ouderdossier en schriftelijke beschouwing te hebben ontvangen. De Commissie overweegt dat de schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, aan belanghebbende zijn toegezonden. UHT heeft het dossier aan belanghebbende verzonden op 17 september 2024. Namens de Commissie is het dossier aan belanghebbende verzonden op 12 januari 2026 en nogmaals op 16 maart 2026.

De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van de stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Naar het oordeel van de Commissie kan de stelling van belanghebbende dat zij niet beschikt over alle op de zaak betrekking hebbende stukken niet slagen, zeker nu ook de Commissie het dossier tweemaal aan belanghebbende heeft doen toekomen. Dit kan onder omstandigheden anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover de bestreden beschikking onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, kan UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken herstellen aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie ziet nu niet in waarom UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart heeft gebracht.

Beoordeling per toeslagjaar
Belanghebbende stelt dat de jaren die in de beoordeling zijn meegenomen niet op zichzelf staan. Wanneer bedragen in bepaalde jaren onterecht zijn teruggevorderd, zijn de gevolgen van deze terugvorderingen (o.a. verrekening en beëindiging) ook in de maanden en jaren ervoor en erna gevoeld.

De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.

Toeslagjaar 2005
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T voor toeslagjaar 2005 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de KOT over 2005 zou zijn verlaagd of teruggevorderd. Belanghebbende heeft dit ook niet aannemelijk gemaakt in haar bezwaarschrift. De Commissie heeft daarnaast geen aanknopingspunten gevonden om tot adviseren tot toepassing van de hardheidsregeling. Er was tevens geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening

Belanghebbende betwist de wijze waarop de (im)materiële schade is berekend en voert aan dat zij meer schade heeft geleden dan waarvoor aan haar compensatie is toegekend.

De Commissie constateert dat UHT de compensatieberekening voor toeslagjaar 2006 opnieuw heeft uitgevoerd in de beschouwing van 21 januari 2025. Uitkomst daarvan is dat de onderdelen n (immateriële schadevergoeding) en o (de toeslagrente) onjuist zijn berekend. De periode waarover de immateriële schadevergoeding wordt berekend, loopt daarom door tot en met de datum van de beslissing op bezwaar. Wel wordt het bedrag van de immateriële schadevergoeding afgetopt tot het bedrag bij onderdeel e, waardoor dit voor het totale compensatiebedrag geen verschil maakt. De Commissie acht de berekening en de toelichting van UHT daarop navolgbaar en begrijpelijk. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, adviseert de Commissie UHT het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren en de bedragen correct in de compensatieberekening te zetten bij de beslissing op bezwaar.

Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld op de website https://schadeherstel.toeslagen.nl.

Opzet of grove schuld (O/GS)
Belanghebbende verzoekt om verstrekking van alle O/GS-stukken. De Commissie stelt vast dat zich in het dossier een stuk bevindt met als conclusie dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van O/GS. De onderliggende stukken waaruit blijkt hoe deze vaststelling tot stand is gekomen, ontbreken. De informatie op grond waarvan de Belastingdienst/Toeslagen (de B/T) heeft vastgesteld of belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie, maakt onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De B/T moet daarbij toelichten welke gegevensbronnen zijn geraadpleegd. Als de beoordeling van de B/T (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over de belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, moet de B/T deze vaststelling onderbouwen door bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Naar het oordeel van de Commissie kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld hoe de conclusie is getrokken dat geen sprake is van een O/GS. De B/T heeft onvoldoende toegelicht in welke systemen is gezocht en welke resultaten daarin zijn aangetroffen. Nu deze stukken in het dossier ontbreken, kan de Commissie niet vaststellen dat de B/T de benodigde kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard en berust de bestreden beschikking in zoverre niet op een deugdelijke motivering. De Commissie verwijst hierbij mede naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545, en de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Kamerstukken II 2025/2026, 36 708, nr. 68). In zoverre slaagt de bezwaargrond. De Commissie adviseert UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van het bovenstaande, aan belanghebbende inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GSkwalificatie en om haar desgewenst de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan de beslissing op bezwaar.

Overige gronden
UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 14 april 2026 op de overige bezwaargronden van gemachtigde van 31 maart 2026 gereageerd. De Commissie heeft geen aanknopingspunten in het dossier gevonden om in dit geval anders te adviseren dan hetgeen UHT opmerkt in de beschouwing. De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden. Commissie adviseert UHT daarom, voor wat betreft de overige gronden, om de beslissing op bezwaar op te stellen overeenkomstig hetgeen zij daarover opmerkt in haar beschouwing.

De Commissie constateert wel dat belanghebbende voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2013 al een bezwaarprocedure bij UHT heeft doorlopen en daarnaast een advies van de BAC en een beslissing op bezwaar heeft ontvangen. Gemachtigde geeft in haar bezwaarschrift aan dat er voor die toeslagjaren inmiddels een procedure in hoger beroep loopt. Een herbeoordeling van deze toeslagjaren, waar de aanvullende beschouwing - hoogstwaarschijnlijk abusievelijk - over spreekt, zal dan ook niet nodig zijn. 

Proceskosten
Nu de bestreden beschikking naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van een procespunt (bezwaarschrift) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen zoals hierboven vermeld.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter