Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16048

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 22 mei 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 17 april 2026

Samenvatting

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit van 22 mei 2024 met kenmerk UHT-DCHO te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 40.114 voor de jaren 2012, 2013 en de maanden januari tot en met april van 2014. Er is geen compensatie toegekend voor het jaar 2011 en de maanden mei tot en met december 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 15 augustus 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2015. In overleg met belanghebbende is dit beperkt tot de jaren 2011 tot en met 2014.
  • UHT heeft bij beschikking van 1 december 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 april 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende het jaar 2011 en de maanden mei tot en met december 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 4 maart 2024, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 35.844 voor de jaren 2012 en 2013. Aan belanghebbende is geen compensatie toegekend voor het de jaren 2011 en 2014.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 22 mei 2024, met kenmerk UHTDCHO, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 40.114 voor de jaren 2012, 2013 en de maanden januari tot en met april 2014. Aan belanghebbende is geen compensatie toegekend voor het jaar 2011 en de maanden mei tot en met december 2014.
  • Gemachtigde heeft op 20 juni 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 7 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft de Commissie op 11 februari 2026 meegedeeld dat belanghebbende geen gebruik wenst te maken van het recht om gehoord te worden en verzocht om een schriftelijke ronde voor het aanvullen van het bezwaar toe te staan. Gemachtigde heeft op 7 april 2026 het bezwaar schriftelijk aangevuld.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Het afzien van de hoorzitting
De Commissie constateert dat belanghebbende - blijkens het gestelde op de eerste bladzijden van de aanvullende reactie van gemachtigde - over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de BAC. Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke discussie over het verschil van opvatting. De BAC volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de BAC, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriftenadviescommissie Hersteloperatie Toeslagen.

In de kern samengevat heeft belanghebbende de volgende bezwaren tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Voor zover er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie ziet nu niet in waarom UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart heeft gebracht.

Onvolledig dossier/persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan.

De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Vaststelling KOT over de toeslagjaren
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen.

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOTbeschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Doorlopende toeslagjaren
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.

De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren.

Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist.
Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.

Beslissen op bezwaar
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het niet beslissen op bezwaren die in de herbeoordeelde jaren door belanghebbende zijn gemaakt, vooringenomen handelen oplevert.

Met UHT stelt de Commissie vast dat een dergelijke situatie zich in het geval van belanghebbende niet heeft voorgedaan en adviseert daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Registratie KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.

Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen.

De Commissie gaat uit van de stelregel dat de B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.

FSV-lijst
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken.
De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.

O/GS
De Commissie overweegt dat in de onderhavige procedure de (wijze van) vaststelling dat sprake was van O/GS aan de orde is geweest. Belanghebbende heeft gesteld dat zij deze constatering nader toegelicht wil hebben met onderbouwende stukken.

De Commissie acht het onvoldoende dat door UHT uitsluitend wordt verwezen naar productie 1300001 in het dossier, waarin slechts de vaststelling ‘O/GS’ te lezen is en niet hoe dit is vastgesteld. De Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545.

Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Discriminatie
Belanghebbende stelt dat de conclusie van UHT dat geen sprake is geweest van discriminatie, niet wordt onderbouwd met stukken.

Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, is de Commissie uit de ter beschikking staande stukken en uit de schriftelijke beschouwing van UHT niet gebleken.

Werkelijk geleden schade
Belanghebbende  heeft  aangevoerd  dat  zij  meer  schade  heeft  geleden  dan  aan  haar  is vergoed.  De  Commissie  overweegt  dat  deze  bezwaarschriftprocedure  alleen  betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en  niet  op  de  vergoeding  van  de  werkelijke  schade.  Voor  het vragen  van  aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden die zijn vermeld op www.schadeherstel.toeslagen.nl en van de mogelijkheid zoals vermeld in art. 2.1 lid 3 Wht.

Het toeslagjaar 2011
Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd voor het toeslagjaar 2011. UHT voert aan dat de neerwaartse beschikking een reguliere wijziging betreft op basis van een wijziging in het toetsingsinkomen van belanghebbende.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2011 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correctie in de KOT over dit toeslagjaar was gelegen in een wijziging in het toetsingsinkomen van belanghebbende.
Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Het toeslagjaar 2014
Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd voor het toeslagjaar 2014. UHT heeft in haar definitieve beschikking een compensatie op grond van vooringenomenheid toegekend voor de maanden januari tot en met april 2014. In haar schriftelijke beschouwing stelt UHT dat belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie voor de maanden januari tot en met oktober 2014. Ten aanzien van de maanden november en december 2014 stelt UHT dat evident geen recht op KOT bestaat en verwijst daarbij naar de door belanghebbende zelf doorgegeven stopzetting van 10 november 2014, met ingang van 31 oktober 2014.

De Commissie is van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de periode van januari tot en met oktober 2014 gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Ten aanzien van de maanden november en december 2014 volgt de Commissie het standpunt van UHT, nu uit het dossier niet blijkt dat in die periode kinderopvang is afgenomen. Gelet hierop adviseert de Commissie UHT om de beoordeling over het jaar 2014 in de beslissing op bezwaar dienovereenkomstig aan te passen en om voorafgaand aan de beslissing op bezwaar een voorlopige berekening te maken en belanghebbende in de gelegenheid te stellen daarop een zienswijze in te dienen.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.

Compensatie overige jaren
Belanghebbende stelt dat zij in de jaren 2015 en verder is gedupeerd. Zij is van mening dat zij ook voor deze jaren in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomenheid dan wel op grond van de hardheidsregeling.

De Commissie stelt vast dat de onderhavige bezwaarprocedure niet ziet op de jaren 2015 en verder en beperkt zich daarom tot de beoordeling van de jaren die in de bezwaarschriften zijn genoemd. De Commissie adviseert UHT om de betreffende jaren te betrekken bij de beslissing op bezwaar, waarbij belanghebbende tijdig de relevante stukken ontvangt en in de gelegenheid wordt gesteld daarop te reageren.

De hoogte van de compensatieberekening
Belanghebbende is van mening dat de compensatieberekening, voor zover die voor haar op basis van de beschikbare stukken te controleren valt, niet correct is. Zij betwist meer concreet de hoogte van component a (KOT voordat deze naar beneden is aangepast), waarbij zij een verzoek doet om een herberekening van component a over toeslagjaar 2013, en van component m (de kosten voor juridische hulp).

Herberekening component a (toeslagjaar 2013)
De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht.

Vergoeding voor juridische hulp (component m)
Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte geen vergoeding heeft ontvangen voor juridische hulp in de bezwaren die zij eerder heeft ingediend.

UHT stelt dat de bezwaren door de ouder zijn ingediend en dat de in artikel 1 van het besluit proceskosten Bestuursrecht genoemde gronden derhalve niet van toepassing zijn. UHT is derhalve van mening dat geen recht bestaat op een vergoeding voor juridische hulp.

De Commissie overweegt dat uit de voorhanden zijnde stukken niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende bij het indienen van bezwaar gebruik heeft gemaakt van rechtsbijstand. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Ambtshalve toetsing compensatieberekening
UHT heeft in haar bijlage compensatieberekening ambtshalve getoetst of de bedragen op de juiste wijze zijn vastgesteld. In haar schriftelijke beschouwing stelt UHT vast dat de KOT voordat deze naar beneden is aangepast, de niet-gekregen KOT exclusief toeslagrente, de niet-gekregen KOT inclusief toeslagrente, de KOT die niet is terugbetaald of niet is verrekend en de materiële schade over toeslagjaar 2014, de immateriële schade, de rentevergoeding over gemiste KOT, de aanvullende vergoeding van 1% en de bedragen die belanghebbende eerder heeft ontvangen over de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 niet juist zijn vastgesteld. UHT stelt dat zij de bedragen zal aanpassen in de beslissing op bezwaar.
De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT en adviseert UHT om het bestreden besluit op dit onderdeel te herroepen en de bedragen aan te passen in de beslissing op bezwaar.

Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gegrond is, adviseert de Commissie om aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit van 22 mei 2024 met kenmerk UHT-DCHO te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter