Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16771

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit:1 augustus 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 7 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 17 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 1 augustus 2024 met kenmerk UHT-DCHOA (hierna: de bestreden beschikking).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2014 tot en met 2016 en 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 11 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015 tot en met 2019.
    In overleg met belanghebbende is dit aangepast naar de jaren 2014 tot en met 2016 en 2019.
  • UHT heeft bij besluit van 10 februari 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 juli 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2014 tot en met 2016 en 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 15 augustus 2024, ingekomen op 23 augustus 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 22 augustus 2025, ingekomen op 27 augustus 2025, het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 24 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 7 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Artikel 6 lid 1 EVRM ‘redelijke termijn’
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de bezwaarprocedure onredelijk lang heeft geduurd en acht dit in strijd met artikel 6 lid 1 EVRM.

De Commissie volgt belanghebbende in dit standpunt niet en wijst erop dat een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, pas in de beroepsfase kan worden beoordeeld (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, rechtsoverweging 4.4.1). De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagpartner
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij pas vanaf 21 augustus 2016, bij de geboorte van haar tweede kind, een toeslagpartner had. Zij betwist het standpunt van UHT dat haar partner sinds 1 juni 2016 al voldeed aan de criteria voor toeslagpartnerschap.

Uit de onderliggende stukken is gebleken dat de partner van belanghebbende per 30 mei 2016 stond ingeschreven op hetzelfde woonadres als belanghebbende en haar minderjarig kind. Vanaf dat moment voldeed de partner van belanghebbende aan de criteria voor toeslagpartnerschap op grond van artikel 3, tweede lid, sub e, Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2014 tot en met 2016
Belanghebbende betwist het standpunt van UHT dat zij per 1 juli 2014 en per
1 augustus 2016 de KOT zelf heeft stopgezet. Uit de onderliggende stukken is niet gebleken dat belanghebbende na deze stopzettingen nog geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen. De Commissie overweegt als volgt.

Volgens artikel 2.1, lid 1 van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in de perioden juli tot en met december 2014 en augustus tot en met december 2016 nu belanghebbende in die perioden geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt vervolgens niet bestreden. Het is daarmee niet meer van belang of belanghebbende de KOT met betrekking tot de bedoelde periodes inderdaad, zoals inderdaad aannemelijk is bij het niet meer gebruik maken van geregistreerde opvang, heeft stopgezet.

Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd.

Voorts heeft de Commissie geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2014 tot en met 2016 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen KOT over deze toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2019
Met betrekking tot toeslagjaar 2019 geldt dat de neerwaartse bijstelling van de KOT heeft plaatsgevonden bij definitieve beschikking van 31 juli 2020 en dit is ná de in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wht neergelegde peildatum van
23 oktober 2019. Het is de Commissie niet gebleken dat de betreffende neerwaartse bijstelling een causaal verband houdt heeft met het handelen van B/T daterend van vóór 23 oktober 2019. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter