BAC 2025-15803
Publicatiedatum 08-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 10 juli 2024 (UHT-DCHO) (hierna onder meer: het bestreden besluit)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 17 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 25.751,- voor de jaren 2011, 2012 (periode januari tot en met juli), 2013 en 2014 en geen compensatie toegekend voor de maanden augustus tot en met december 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 2 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2013. Dit verzoek is in overleg met belanghebbende gewijzigd naar de jaren 2011 tot en met 2014.
- UHT heeft bij besluit van 3 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 juni 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2013 en 2014 en niet voor de maanden augustus tot en met december van 2012.
- UHT heeft bij het bestreden besluit van 10 juli 2024 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende compensatie op grond van artikel 2.1 Wht (2011: hardheid, 2012: vooringenomen) toegekend voor de jaren 2011, 2012 (periode januari tot en met juli) en compensatie op grond van artikel 2.6 Wht (Opzet/Grove Schuld) voor de jaren 2013 en 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 augustus 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 16 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 2 december 2025 meegedeeld dat belanghebbende afziet van het recht om te worden gehoord en verzocht om advisering op grond van de stukken.
- Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie in de gelegenheid gesteld, namens belanghebbende op 13 januari 2026 een aanvulling op het bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 29 januari 2026, daartoe door de Commissie verzocht, een aanvullende beschouwing ingediend met bijbehorende producties, waarbij op verzoek van belanghebbende de jaren 2007 tot en met 2010 alsnog zijn beoordeeld en compensatie voor deze jaren is afgewezen.
- Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie in de gelegenheid gesteld, op
17 februari 2026 het bezwaarschrift aangevuld met gronden gericht tegen de Integrale beoordeling door UHT van de toeslagjaren 2007 tot en met 2010. - UHT heeft op 9 maart 2026, daartoe door de Commissie verzocht, een aanvullende beschouwing ingediend.
- Gelet op het verzoek van belanghebbende om de zaak op stukken af te doen, ziet de Commissie op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belanghebbende. De Commissie heeft het bezwaar behandeld in haar vergadering van 23 maart 2026.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Omvang van de procedure
In bezwaar betoogt belanghebbende dat UHT de jaren 2007 tot en met 2010 ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of recht bestaat op compensatie op grond van de Wht, omdat belanghebbende in deze jaren KOT heeft aangevraagd en door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) beschikkingen zijn afgegeven. In haar aanvullende schriftelijke beschouwing van 29 januari 2026 heeft UHT de jaren 2007 tot en met 2010 alsnog beoordeeld.
De Commissie is van opvatting dat in deze beschouwing een beslissing ten aanzien van voormelde toeslagjaren ligt besloten die het karakter heeft van een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Gelet op artikel 6:19 van de Awb, waarin is bepaald dat een bezwaar van rechtswege mede betrekking heeft op een beschikking die de bestreden beschikking wijzigt, intrekt of vervangt, wordt het bezwaar geacht zich ook uit te strekken tot de desbetreffende beschikking die besloten ligt in voormelde aanvullende beschouwing. De Commissie zal de in deze beschikking beoordeelde toeslagjaren dan ook in haar advisering betrekken.
Met betrekking tot de jaren 2005, 2006 en 2015 tot en met 2019 heeft UHT, onder meer onder verwijzing naar het aanvraagoverzicht (productie 0900001 van het ouderdossier), aangegeven dat in deze jaren geen KOT is aangevraagd en er geen beschikkingen zijn afgegeven die betrekking hebben op de KOT. De Commissie ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze gegevens te twijfelen.
Zij onderschrijft het oordeel van UHT dat reeds hierom voor deze jaren geen recht bestaat op compensatie op grond van de Wht.
Persoonlijk dossier
Belanghebbende verzoekt om haar persoonlijk dossier en stelt dat bij gebreke daarvan geen volledig beeld kan worden gevormd over de zaak. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 31 juli 2025 aan gemachtigde toegezonden.
De aanvullende beschouwing met bijbehorende producties zijn op 29 januari 2026 door UHT aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Awb neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Inhoudelijke bezwaren
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT voor de jaren 2011 tot en met 2014 compensatie op de juiste gronden heeft toegekend en op de juiste wijze heeft berekend en of zij terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2007 tot en met 2010 en de maanden augustus tot en met december 2012 af te wijzen.
Beoordeling afwijzing compensatie voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T, of indien sprake was van een onterechte kwalificatie Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS-kwalificatie).
De Commissie stelt op grond van de stukken vast dat de neerwaartse bijstellingen van de KOT voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 hebben plaatsgevonden naar aanleiding van wijzigingen in de hoogte van het gezamenlijke toetsingsinkomen en naar aanleiding van de beschikbare jaaropgaven van de kinderopvanginstelling, waaruit blijkt dat een lager aantal opvanguren is afgenomen dan waarvoor een voorschot was verleend.
Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de behandeling van de KOT voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel van hardheid door B/T. Voor zover over deze toeslagjaren terugvorderingen hebben plaatsgevonden, zijn deze – zoals hiervoor uiteengezet – het gevolg van te hoge voorschotten die op basis van reguliere bijstellingen opnieuw zijn berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie merkt in dit verband op dat voor deze jaren niet is voldaan aan de voorwaarden voor compensatie op grond van hardheid van het stelsel op basis van de KOT naar KOI-regeling zoals neergelegd in paragraaf 2.3.6. van het Handboek IB- en Vaktechniek (hierna: het Handboek). Volgens dit beleid van UHT bestaat recht op compensatie als per toeslagjaar meer dan € 1500,- van belanghebbende is teruggevorderd én het bedrag dat te veel is uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling en niet aan belanghebbende ten goede kwam, hoger was dan € 1.500, -. Zoals UHT bij de berekening in de aanvullende beschouwing van 29 januari 2026 nader heeft toegelicht, was in dit geval niet aan deze voorwaarden voldaan. De Commissie heeft in de stukken geen aanleiding kunnen vinden voor de opvatting dat UHT hier ten gunste van belanghebbende van dit beleid had moeten afwijken. Er was ook geen sprake van een onterechte O/GS-kwalificatie, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Beoordeling afwijzing compensatie voor toeslagjaar 2010
Uit de stukken volgt dat de KOT voor 2010 bij beschikking van 4 december 2009 automatisch is gecontinueerd. Blijkens de beschikking van 26 november 2010 is de KOT neerwaarts bijgesteld naar aanleiding van een stopzetting van de KOT met ingang van 2 november 2010. Belanghebbende betoogt dat in het XML-bestand van 11 november 2010 is te zien dat deze stopzetting door B/T is gedaan en niet door belanghebbende. Ook wijst zij op het door haar op 3 november 2010 ingediende wijzigingsformulier waarop zij een wijziging heeft doorgegeven van kinderopvanginstelling met ingang van 1 november 2010. Nu B/T de KOT ambtshalve heeft stopgezet is sprake van vooringenomen handelen, aldus belanghebbende. UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 9 maart 2026 toegelicht dat de code BXKO in het XML-bestand van 11 november 2010 staat voor de ‘hulp bij aangifte’ campagne, die inhield dat ouders een afspraak konden maken bij een medewerker van B/T op een locatie bij hen in de buurt. Volgens UHT is de stopzetting dan ook namens belanghebbende gedaan en mocht B/T van de juistheid daarvan uitgaan.
De Commissie overweegt als volgt. De Commissie vindt het aannemelijk dat de stopzetting door B/T is gedaan in het kader van de campagne ‘hulp bij aangifte’ en dat zij daarbij heeft beoogd in opdracht van belanghebbende te handelen.
De Commissie is evenwel van opvatting dat B/T in dit geval niet zonder meer van de juistheid van de (wil tot) stopzetting mocht uitgaan, nu belanghebbende een week eerder, namelijk op 3 november 2010, een wijziging had doorgegeven waarbij zij aangaf dat haar dochter per 1 november 2010 van de dagopvang [naam] naar de BSO [naam] ging. Dit lag voor de hand omdat haar dochter op
1 november 2010 vier jaar was geworden. Uit de KOIviewer blijkt dat in november en december 2010 kinderopvang is afgenomen bij BSO [naam] conform de door belanghebbende doorgegeven wijzigingen. Gelet op deze omstandigheden is de Commissie van opvatting dat B/T destijds niet zonder nadere uitvraag had mogen afgaan op de juistheid van de door B/T namens belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT, nu deze stopzetting klaarblijkelijk slechts zag op de daarvoor afgenomen dagopvang en niet op de BSO. Door dit na te laten heeft B/T naar het oordeel van de Commissie vooringenomen gehandeld tegenover belanghebbende. De Commissie weegt in dit verband mee dat B/T pas bij de definitieve KOT-beschikking van 1 oktober 2013 de KOT voor de opvang bij BSO [naam] alsnog heeft uitgekeerd. Dit herstel heeft naar het oordeel van de Commissie onredelijk lang op zich laten wachten en laat onverlet dat belanghebbende in de maanden november en december 2010 de opvang van haar dochter zelf heeft moeten bekostigen en zij bovendien heeft gesteld hierdoor financiële schade te hebben geleden. Hierom bestaat naar de opvatting van de Commissie, gelet op het bepaalde in paragraaf 3.1.8. van het Handboek, eveneens reden om aan te nemen dat B/T tegenover belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld. De Commissie acht dan ook in dit geval compensatie op grond van vooringenomenheid op zijn plaats en zij adviseert UHT om het bezwaar in zoverre gegrond te verklaren.
Beoordeling toeslagjaar 2011
UHT heeft aan belanghebbende compensatie toegekend op grond van hardheid, omdat B/T door een systeemfout de KOT ten onrechte op nihil heeft gesteld en aan belanghebbende om die reden ten onrechte geen KOT is uitbetaald in de maanden september tot en met december 2011. De gevolgen daarvan waren volgens UHT voor belanghebbende onevenredig hard. UHT stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van vooringenomen handelen door B/T.
Belanghebbende betoogt dat UHT heeft miskend dat in dit toeslagjaar sprake was van vooringenomen handelen door B/T omdat niet vaststaat dat de gestelde systeemfout, waardoor de KOT bij beschikking van 9 september 2011 op nihil is gesteld, een situatie van overmacht betrof.
Naar de opvatting van de Commissie slaagt dit betoog. Op grond van het door UHT gehanteerde beleid, neergelegd in paragraaf 2.3.5, stap 6 van het Handboek is, wanneer een ouder heeft gereageerd op een verzoek om informatie door B/T, het niet correct verwerken van de stukken verwijtbaar aan B/T en wordt daarom aangemerkt als vooringenomen handelen door B/T. In paragraaf 3.1.7 van het Handboek is bepaald dat het onterecht verzenden van een stopbrief eveneens is aan te merken als vooringenomen handelen door B/T. De Commissie stelt op grond van de stukken vast dat belanghebbende op 26 juli 2011 een antwoordformulier heeft verstuurd aan B/T, waarop zij heeft aangekruist dat zij de KOT niet wenste stop te zetten. Bij het vak “ingangsdatum van de gewijzigde situatie” heeft zij geen datum ingevuld. Bij brief van 25 augustus 2011 heeft B/T aan belanghebbende verzocht om haar de ingangsdatum van de kinderopvang mee te delen. Hierop heeft belanghebbende als ingangsdatum van de kinderopvang 1 januari 2011 opgegeven. Naar aanleiding van deze reactie heeft B/T de KOT vervolgens bij beschikking van 9 september 2011 op nihil gesteld. In haar aanvullende beschouwing van 29 januari 2026 heeft UHT toegelicht dat B/T door een menselijke dan wel systeemfout ten onrechte een stopzetting van de KOT door belanghebbende heeft geregistreerd. Niet in geschil is dat voor het hele jaar gekwalificeerde kinderopvang is afgenomen. Naar het oordeel van de Commissie staat hiermee vast dat B/T de door belanghebbende aangeleverde stukken niet correct heeft verwerkt en de KOT ten onrechte op nihil heeft gesteld. Hieruit volgt, op grond van voornoemd beleid van UHT, dat sprake was van vooringenomen handelen door B/T. Belanghebbende heeft derhalve recht op compensatie op grond van vooringenomenheid voor de periode september tot en met december 2011. De Commissie adviseert UHT dan ook om het bezwaar in zoverre gegrond te verklaren en te bezien of de nieuwe compensatieberekening gunstiger zal uitvallen voor belanghebbende.
Beoordeling toeslagjaar 2012
UHT heeft voor toeslagjaar 2012 compensatie toegekend op grond van vooringenomenheid voor de maanden januari tot en met juli omdat KOT door een fout van B/T in 2011 ten onrechte niet automatisch is gecontinueerd en daarvan geen bericht is gestuurd aan belanghebbende. Voor de maanden augustus tot en met december 2012 bestond volgens UHT evenwel evident geen recht op KOT, omdat blijkens de gegevens uit de KOI-viewer slechts opvang is afgenomen tot en met 31 juli 2012. Belanghebbende betoogt dat UHT voor het oordeel dat evident geen recht bestond op KOT niet uitsluitend mocht afgaan op de gegevens in de KOI-viewer en dat recht bestaat op compensatie voor het hele toeslagjaar. Subsidiair betoogt belanghebbende dat een compensatie op grond van hardheid gerechtvaardigd is omdat de financiële gevolgen voor haar, gelet op de verrekeningen en terugvorderingen, onevenredig hard waren.
Naar de opvatting van de Commissie slaagt het betoog niet en zij overweegt daartoe als volgt. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Gelet op het uitzonderingskarakter van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, ligt de bewijslast van het standpunt dat evident geen recht bestaat op KOT, bij UHT. Zoals de Commissie in eerdere adviezen reeds meerdere malen heeft overwogen kan het ontbreken van gegevens in de KOI-viewer niet zonder meer tot de conclusie leiden dat geen gekwalificeerde opvang heeft plaatsgevonden. De Commissie stelt evenwel in dit geval op grond van het gespreksverslag van de integrale beoordeling (productie 0200001, pagina 4) vast dat belanghebbende heeft verklaard dat het zou kunnen dat zij de KOT per 1 augustus 2012 heeft stopgezet omdat zij geen KOT meer kreeg en de kinderopvang toen ook niet meer kon betalen. Zij stelt dat zij daarom de KOT heeft stopgezet en heeft geprobeerd om op een andere manier oppas te regelen voor haar kind als zij ging werken. Deze verklaring komt overeen met het LIC-overzicht, waaruit blijkt dat belanghebbende vanaf augustus 2012 inderdaad geen KOT meer ontving omdat deze werd verrekend met (terechte) vorderingen van de KOT uit 2008 en 2009. Op basis van deze omstandigheden kan de Commissie zich vinden in de door UHT getrokken conclusie dat voor de maanden augustus tot en met december 2012 evident geen recht bestond op KOT.
De Commissie is verder van mening dat de verrekeningen geen reden vormen voor toekenning van compensatie op grond van hardheid. De verrekeningen hebben plaatsgevonden met openstaande vorderingen van de KOT voor 2008 en 2009, waarvan de Commissie hiervoor het standpunt heeft ingenomen dat deze vorderingen terecht waren omdat sprake was van reguliere correcties van de KOT waardoor te veel uitbetaalde voorschotten moesten worden terugbetaald.
Deze verrekeningen zijn onderdeel van de uitvoering die conform de wet aan de KOT is gegeven. Zoals de Commissie eerder heeft geadviseerd, in bijvoorbeeld de zaak BAC 2022-10406, wordt bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Ook is in dit advies uiteengezet dat uit de wetsgeschiedenis van de Wht volgt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling toeslagjaren 2013 en 2014
De Commissie stelt op grond van de stukken vast dat de KOT voor de toeslagjaren 2013 en 2014 automatisch is gecontinueerd en bij beschikkingen van respectievelijk 13 februari 2015 en 21 augustus 2014 op nihil is gesteld omdat er op basis van de KOIviewer geen gegevens beschikbaar waren waaruit blijkt dat in deze jaren gekwalificeerde kinderopvang is afgenomen. Belanghebbende betoogt dat zij recht heeft op compensatie vanwege hardheid in de toepassing van het wettelijk systeem omdat B/T niet heeft gereageerd op haar verzoek om een betalingsregeling van 3 mei 2015 en zij door de verrekeningen, het loonbeslag en de dwangbevelen schade heeft geleden.
De Commissie constateert allereerst dat B/T de KOT voor de toeslagjaren 2013 en 2014 op nihil heeft gesteld zonder belanghebbende in de gelegenheid te stellen om haar recht op KOT aan te tonen. Hiermee heeft B/T naar het oordeel van de Commissie vooringenomen tegenover belanghebbende gehandeld. De Commissie is evenwel van opvatting dat sprake is van een situatie dat evident geen recht bestond op KOT. Daarbij neemt de Commissie in aanmerking dat er in het dossier geen aanknopingspunten te vinden zijn op grond waarvan kan worden vastgesteld dat belanghebbende in de betrokken jaren gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen en dat zij zelf heeft verklaard dat zij vanaf augustus 2012 de kinderopvang heeft stopgezet omdat zij deze niet meer kon betalen en haar kind op andere wijze heeft opgevangen. De Commissie laat ook meewegen dat de KOT voor 2013 en 2014 blijkens de LIC-overzichten is uitbetaald aan belanghebbende en dat zij had moeten weten dat zij geld ontving waar zij geen recht op hadomdat niet was voldaan aan de in de wet neergelegde voorwaarde voor toekenning van de KOT dat sprake was van gemaakte kosten voor gekwalificeerde kinderopvang. Zoals de Commissie hiervoor reeds heeft overwogen, bieden verrekeningen na terugvordering van reguliere correcties geen recht op compensatie op grond van hardheid.
Met betrekking tot het betoog van belanghebbende dat haar ten onrechte een betalingsregeling is geweigerd, overweegt de Commissie dat UHT in het bestreden besluit heeft vastgesteld dat sprake is van een O/GS-kwalificatie waarvan niet gebleken is dat deze terecht was. Op grond daarvan heeft UHT aan belanghebbende conform het forfaitaire systeem van de Wht compensatie toegekend. Zoals UHT in de aanvullende beschouwing van 29 januari 2026 uiteen heeft gezet, bedraagt deze tegemoetkoming op grond van artikel 2.6 lid 2 van de 30% van het bedrag van de terugvordering en blijven de invorderingskosten en rente hierbij buiten beschouwing. Het staat belanghebbende vrij om, indien zij meent dat de door haar werkelijk geleden schade hoger is dan de O/GS-tegemoetkoming, een aanvraag als bedoeld in artikel 2.6, derde lid van de Wht in te dienen.
Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de toeslagjaren 2013 en 2014, onder verbetering van de motivering, in stand te laten.
Overige bezwaren
Voor het overige heeft de gemachtigde van belanghebbende in deze procedure een aantal, meer algemene, bezwaren aangevoerd die naar aard, inhoud en strekking overeenstemmen met de bezwaren die zij in een andere procedure heeft aangevoerd. In die procedure heeft de Commissie op 28 januari 2026 een advies uitgebracht (zie BAC 2023-14521) en, onder aanvoering van de daartoe leidende overwegingen, geadviseerd die bezwaren ongegrond te verklaren. De Commissie adviseert, onder verwijzing naar haar overwegingen in laatstgenoemd advies, deze, meer algemene, bezwaren in deze procedure eveneens ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar tegen de bestreden beschikking gedeeltelijk gegrond acht en adviseert om het besluit te herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (indienen van het bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- Het bestreden besluit te herroepen voor zover dit betrekking heeft op het toeslagjaar 2010 en op de periode september tot en met december 2011,
- Aan belanghebbende voor deze (delen van) toeslagjaren alsnog compensatie toe te kennen op grond van vooringenomenheid en daartoe een nieuwe compensatieberekening op te stellen;
- Met betrekking tot de toeslagjaren 2013 en 2014 het bestreden besluit, onder verbetering van de motivering, in stand te laten;
- Het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter