BAC 2025-16688
Publicatiedatum 08-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 10 juli 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 1 april 2026
Overdracht advies aan UHT: 16 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 3.837,-, voor het jaar 2012, een tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS) toegekend voor een bedrag van € 7.687,- voor de jaren 2008 tot en met 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 8 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- UHT heeft bij besluit van 4 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 4 juni 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2008 tot en met 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 3.837,-, voor het jaar 2012 en een tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS) toegekend voor een bedrag van
€ 7.687,- voor de jaren 2008 tot en met 2012. - Gemachtigde heeft bij brief van 24 juli 2024, ingekomen op dezelfde datum, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Dit is aangevuld bij brief van 29 januari 2025.
- UHT heeft op 3 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft het bezwaar op 27 maart 2026 nogmaals aangevuld.
- UHT heeft op 31 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie en nadere stukken ingediend.
- Op 1 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Gemachtigde is na de hoorzitting in de gelegenheid gesteld om binnen één week nadere stukken aan te leveren. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De Commissie heeft partijen op 13 april 2026 bericht dat zij overgaat tot adviseren.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Gelet op de aangevoerde bezwaargronden ziet de Commissie zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie over toeslagjaar 2012 gedeeltelijk af te wijzen. Daarnaast ziet de Commissie zich gesteld voor de vraag of UHT heeft voldaan aan haar verplichting om alle op zaak betrekking hebbende stukken over te leggen.
Toeslagjaar 2012
Bij het primaire besluit is door UHT aangenomen dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vooringenomen heeft gehandeld door de KOT over 2012 bij beschikking van 6 januari 2015 te verlagen van € 1.470,- naar € 150,-.
Bij het bestreden besluit is hiervoor aan belanghebbende een compensatie toegekend. Deze compensatie is beperkt tot de maand januari tot en met augustus van 2012, omdat volgens UHT in de rest van het toeslagjaar sprake was van evident geen recht.
Lopende de bezwaarprocedure heeft UHT een gewijzigd standpunt ingenomen. UHT stelt dat zij bij haar primaire besluit ten onrechte heeft aangenomen dat B/T geen uitvraag had gedaan bij belanghebbende, alvorens de KOT werd verlaagd. Uit het dossier volgt echter dat sprake is geweest van een tweevoudige uitvraag, bij brieven van 30 juli 2014 en 1 september 2014 (productie 1212005 en 1212006). B/T heeft de KOT vervolgens verlaagd op basis van de door belanghebbende op
15 september 2014 ingezonden stukken (productie 1212007 en de op 31 maart 2026 door UHT overlegde melding van 10-10-2014). Dat leidt volgens UHT tot de conclusie dat er niet vooringenomen is gehandeld bij het besluit van 6 januari 2015. UHT heeft op de hoorzitting toegezegd dat zij de toegekende compensatie over 2012 in stand zal laten.
De Commissie neemt met instemming kennis van het gewijzigde standpunt van UHT en de toezegging dat de reeds toegekende compensatie wordt gehandhaafd. De Commissie acht daarbij van belang dat de stukken waar UHT haar standpunt op baseert zich van meet af aan in het dossier bevonden, maar kennelijk over het hoofd gezien zijn en het verbod van reformatio in peius wordt gerespecteerd.
De Commissie begrijpt het bezwaar van belanghebbende zo, dat zij stelt dat zij naast de toegekende compensatie recht heeft op compensatie voor de eerdere verlaging van de
KOT voor 2012 bij beschikking van 21 september 2012, waarin de KOT met ingang van 6 augustus 2012 werd stopgezet. Belanghebbende betwist namelijk dat zij deze stopzetting heeft doorgegeven.
De Commissie overweegt hierover als volgt. Gelet op de door UHT op 31 maart 2026 overgelegde melding van 6 augustus 2012 en wat UHT hierover heeft toegelicht, vindt de Commissie aannemelijk dat belanghebbende deze wijziging zelf telefonisch heeft doorgegeven. De Commissie ziet hierin geen aanknopingspunt voor de conclusie dat B/T bij haar besluit van 21 september 2012 vooringenomen heeft gehandeld.
Daarnaast begrijpt de Commissie dat belanghebbende in twijfel trekt dat zij van september tot en met december 2012 geen kinderopvang zou hebben afgenomen. Belanghebbende heeft geen nadere stukken overgelegd ter onderbouwing van dit standpunt.
Nu er naar het oordeel van de Commissie geen sprake is geweest van vooringenomen handelen over 2012, kan deze stelling niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden.
De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar over toeslagjaar 2012 ongegrond te verklaren.
Achtergrond bij O/GS-kwalificaties jaren 2008 tot en met 2012
Belanghebbende wenst duidelijkheid over de reden waarom B/T haar voor alle jaren het kenmerk O/GS heeft gegeven. Juist dat is de oorzaak van vele problemen geweest. Op de hoorzitting heeft de behandelend ambtenaar toegezegd dat de stukken die betrekking hebben op de O/GS-kwalificaties zijn opgevraagd en met belanghebbende zullen worden gedeeld.
De Commissie onderschrijft deze toezegging nu belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie.
Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank
Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GSkwalificaties en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om belanghebbende inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter