Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16801

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 20 maart 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 8 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 15 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 20 maart 2024. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2015 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 12 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over 2015. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar en gemachtigde heeft de beoordeling plaatsgevonden over de jaren 2015 tot en met 2019.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 8 februari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij besluit van 20 maart 2024 met kenmerk UHT-DCHOA (hierna: “het bestreden besluit”) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2015 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 17 april 2024, ingekomen op diezelfde datum, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 7 juli 2025 de gronden van het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 28 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 8 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Afwijzing compensatie
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2015 tot en met 2018 af te wijzen. De Commissie begrijpt uit de stukken dat toeslagjaar 2019 niet in geschil is.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T of hardheid van het stelsel.

Toeslagjaar 2015
Belanghebbende heeft in haar bezwaar aangevoerd dat B/T geen bewijs heeft dat de wijziging in opvanguren op grond waarvan de KOT is bijgesteld door of namens belanghebbende is gedaan. B/T had hier zorgvuldiger moeten zijn volgens belanghebbende.

De Commissie overweegt als volgt. Over toeslagjaar 2015 is de KOT tweemaal neerwaarts bijgesteld. De eerste neerwaartse bijstelling is gedaan naar aanleiding van een wijziging in uren die is doorgegeven (67 uren in plaats van 147, TVS-melding pagina 388 bezwaardossier). Volgens B/T is onduidelijk door wie die wijziging is doorgegeven maar B/T gaat ervan uit dat dit door, althans namens belanghebbende is gedaan omdat zij zich in KOT-aangelegenheden liet bijstaan door maatschappelijk werk. De Commissie sluit zich bij dat oordeel aan nu er geen aanknopingspunten zijn gevonden die erop wijzen dat deze wijziging niet door belanghebbende, dan wel namens haar en met haar  instemming (bijvoorbeeld door een maatschappelijk werker) is gedaan. De tweede neerwaartse bijstelling is gedaan na een door belanghebbende ingestuurd antwoordformulier met jaaropgaven, waaruit blijkt dat minder opvanguren zijn afgenomen (pagina 168 bezwaardossier, 101 uren opvang afgenomen over maart tot en met oktober 2015). Die informatie strookt met de gegevens in de KOI-viewer (pagina 184 bezwaardossier). Nu bovendien belanghebbende bij haar bezwaar exact dezelfde jaaropgave met daarop 101 uren heeft ingestuurd (pagina 180 bezwaardossier) kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat is uitgegaan van de juiste gegevens over het jaar 2015. Dit bezwaar kan daarom niet slagen.

Toeslagjaar 2016
Belanghebbende betoogt dat B/T de informatie uit de KOI-viewer op grond waarvan de KOT is bijgesteld niet op juistheid heeft gecontroleerd. Dat had wel gemoeten. UHT heeft dat gemotiveerd weersproken.

De Commissie overweegt als volgt.

Uit de voorhanden stukken blijkt dat de KOT tweemaal neerwaarts is bijgesteld.
De eerste neerwaartse bijstelling is het gevolg van een hoger toetsingsinkomen.
De tweede neerwaartse bijstelling is gedaan op grond van gegevens uit de KOI-viewer. De stelling van belanghebbende dat deze informatie niet is geverifieerd bij belanghebbende, is niet juist nu UHT terecht op zitting heeft aangevoerd dat belanghebbende een antwoordformulier met jaaropgave heeft ingestuurd (pagina 201 e.v. bezwaardossier) hetgeen er blijk van geeft dat zij heeft gereageerd op een uitvraagbrief van B/T. Er is dus in tegenstelling tot het standpunt van belanghebbende wel een uitvraag gedaan, waarop zij ook heeft gereageerd. Van vooringenomen handelen is dan ook geen sprake.

Maar los daarvan, belanghebbende heeft in de bezwaarprocedure naar aanleiding van de verlaging van de KOT bezwaar gemaakt en is in die procedure in het gelijk gesteld. De KOT is vervolgens op grond van de destijds in die bezwaarprocedure aangeleverde jaaropgave bijgesteld. Kortom, belanghebbende heeft geen schade geleden. Belanghebbende heeft immers uiteindelijk op grond van de juiste gegevens KOT toegekend gekregen over de maanden januari tot en met december 2016. Nu belanghebbende geen schade heeft, is compensatie op grond van de Wht hoe dan ook niet aan de orde. Dit onderdeel van het bezwaar kan daarom niet slagen.

Toeslagjaar 2017
Belanghebbende voert als bezwaar aan dat zij geen wijzigingen in de KOT heeft doorgegeven over het jaar 2017.

De Commissie stelt vast dat de KOT tweemaal neerwaarts is bijgesteld. De eerste neerwaartse bijstelling is het gevolg van door belanghebbende doorgegeven wijziging waaruit blijkt dat minder opvanguren zijn afgenomen (melding pagina 396 bezwaardossier). De tweede neerwaartse bijstelling is gedaan op grond van gegevens uit KOI-viewer. De informatie uit de KOI-viewer wat betreft de opvangkosten komt overeen met de door belanghebbende ingestuurde jaaropgaven. B/T had gelet hierop geen redenen om aan de juistheid van de informatie van de KOI te twijfelen. Verder was de neerwaartse bijstelling ook gebaseerd op een hoger toetsingsinkomen. Dit onderdeel van het bezwaar kan daarom evenmin niet slagen.

Toeslagjaar 2018
Belanghebbende betwist uitdrukkelijk dat zij de KOT over 2018 heeft stopgezet. UHT heeft dat gemotiveerd weersproken en verwezen naar de stopzetting die blijkt uit de TVS-melding (pagina 400 bezwaardossier).

De Commissie overweegt als volgt.

Uit de voorhanden stukken blijkt dat de KOT over het jaar 2018 tweemaal neerwaarts is bijgesteld. De eerste neerwaartse bijstelling is gedaan na een, volgens B/T, door of namens belanghebbende doorgegeven stop van de KOT per
1 januari 2018 (de genoemde melding op pagina 400 bezwaardossier). In november 2018 is telefonisch contact geweest tussen B/T en belanghebbende, waarna de KOT opnieuw, op verzoek van belanghebbende zo blijkt uit een notitie van dat gesprek (tijdlijn, pagina 38 bezwaardossier), is aangevraagd per 1 oktober 2018. De tweede neerwaartse bijstelling die daarop volgde is gedaan op grond van een hoger toetsingsinkomen.

De Commissie heeft op grond van de voorhanden stukken geen aanknopingspunten gevonden die erop duiden dat de hiervoor genoemde stop van de KOT niet door of althans namens belanghebbende en met haar instemming is gedaan. De stopzetting is digitaal gedaan en met gebruikmaking van het burgservicenummer van belanghebbende. Bovendien heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt tegen de nihilstelling als gevolg van de stop van de KOT. Ook in het telefonisch contact in november 2018 is de stopzetting van de KOT niet aan de orde gekomen en heeft belanghebbende slechts de wens uitgesproken KOT aan te vragen per 1 oktober 2018 (en niet met terugwerkende kracht per 1 januari 2018). Gegeven deze feiten en omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat de KOT in ieder geval met instemming van belanghebbende is stopgezet. Dit onderdeel van het bezwaar kan daarom niet slagen.

Conclusie
De Commissie concludeert dat er over de jaren 2015 tot en met 2018 geen concrete aanknopingspunten zijn die erop wijzen dat belanghebbende vooringenomen is behandeld. De wijzigingen en de stopzetting van de KOT zijn door althans namens, en met instemming van belanghebbende, gedaan. Er zijn evenmin dusdanig bijzondere omstandigheden die maken dat sprake is van hardheid van het stelsel. Het bezwaar kan gelet hierop niet slagen.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het bestreden besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter