Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16739

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 5 maart 2025 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: Op verzoek van belanghebbende heeft er geen hoorzitting plaats gevonden.

Overdracht advies aan UHT: 16 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit), inhoudende dat:

aan belanghebbende met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie is toegekend voor de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 29 juli 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2019, 2020 en 2021. Na overleg met belanghebbende is een herbeoordeling uitgevoerd over de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019.
  • UHT heeft bij besluit van 14 september 2022, met kenmerk UHT CHR GU, aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 25 februari 2025 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 maart 2025, ingekomen op 31 maart 2025, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 29 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft de Commissie op 13 maart 2026 geïnformeerd dat de hoorzitting die op 16 maart 2026 zou plaatsvinden geen doorgang hoeft te vinden en dat de Commissie op grond van de stukken kan adviseren.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, heeft UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Volledigheid dossier en ‘equality of arms’
Belanghebbende stelt dat niet het volledige dossier is verstrekt en dat daarom in strijd met het beginsel ‘equality of arms’ is gehandeld. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. Daarbij stelt de Commissie voorop dat een beroep op ‘equality of arms’ is gebaseerd op artikel 6 EVRM en dit artikel niet van toepassing is op bezwaarprocedures. Eerst in de fase van beroep en hoger beroep kan een beroep op artikel 6 EVRM worden gedaan. De Commissie stelt voorts vast dat de schriftelijke reactie en de onderliggende stukken op 12 januari 2026 aan gemachtigde zijn toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat betekent dat in deze zaak moet worden geconcludeerd dat het verstrekte ouderdossier volledig is. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het volledige (persoonlijke) dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. Overigens is het wel zo, dat als uit na deze zaak bekend geworden stukken blijkt van nieuwe feiten op grond waarvan het bestreden besluit in het voordeel van belanghebbende moet worden gewijzigd, UHT dat ook moet doen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Afwijzing compensatie
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De KOT over het toeslagjaar 2017 is eerst verlaagd als gevolg van een stopzetting van de KOT door belanghebbende voor één van haar kinderen, per 1 maart 2017. De KOT is vervolgens op grond van de door belanghebbende overgelegde jaaropgave nogmaals verlaagd. Uit de jaaropgave volgde dat belanghebbende voor een kortere periode kinderopvang had afgenomen. Dat de kinderopvanginstelling haar had geïnformeerd dat het beter was om de KOT niet stop te zetten voor haar andere kind, omdat het lastig zou kunnen zijn om opnieuw KOT aan te vragen, kan niet aan B/T worden tegengeworpen. De KOT over het toeslagjaar 2018 is verlaagd door de stopzetting van de KOT door belanghebbende op 13 december 2017 per 1 januari 2018.

Belanghebbende stelt dat zij voor het toeslagjaar 2018 als gedupeerde dient te worden aangemerkt omdat B/T de KOT automatisch heeft gecontinueerd. De wijze waarop B/T met de automatische continuering omging zou op zijn minst onzorgvuldig zijn. Van B/T mag, aldus belanghebbende, verwacht worden dat extra waarborgen in het aanvraagsysteem worden ingebouwd, die moeten voorkomen dat ouders worden geconfronteerd met latere terugbetalingen en verrekeningen als ouder niet zelf om  continuering vraagt..

De Commissie overweegt dat een aanvrager van KOT in beginsel niet jaarlijks opnieuw een aanvraag hoeft in te dienen. De toekenning geldt voor onbepaalde tijd, zolang de omstandigheden ongewijzigd blijven en B/T de beschikking niet expliciet beëindigt. Dit systeem is neergelegd in artikel 15, vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Het is daarom van belang dat de aanvrager wijzigingen in relevante omstandigheden, zoals het inkomen en het aantal opvanguren, tijdig doorgeeft. Dit voorkomt dat er te veel of te weinig KOT wordt toegekend. Met de automatische continuatie heeft B/T de reguliere wettelijke procedure gevolgd. De Commissie is van oordeel dat dit niet duidt op vooringenomen handelen door B/T.

De eerste verlaging van de KOT over het toeslagjaar 2019 was het gevolg van een stijging van het toetsingsinkomen. De tweede verlaging vond plaats ná 23 oktober 2019. De herstelregelingen zijn niet van toepassing op handelingen van B/T vanaf 23 oktober 2019, tenzij een causaal verband bestaat tussen die handelingen en vooringenomen handelen door B/T van vóór die datum. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden dat B/T vóór 23 oktober 2019 vooringenomen heeft gehandeld of dat sprake was van hardheid van het stelsel. De Commissie is daarom van oordeel dat het niet binnen haar bevoegdheid valt om over de beslissingen die B/T ná 23 oktober 2019 heeft genomen te adviseren.

De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 waren dus gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er zijn geen aanwijzingen dat B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de onterechte aanname dat belanghebbende opzettelijk of grofschuldig onterecht KOT heeft ontvangen, zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beslagvrije voet
Belanghebbende betwist bij gebrek aan wetenschap dat B/T over de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, terwijl de gegevens hiervoor wel bij B/T voorhanden waren. Dit leidt tot hardheid van het stelsel.

De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j van het Wetboek van Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij terugvorderingen valt daarom buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure. Het bezwaar is op dit punt dus ongegrond.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar ongegrond te verklaren;
  • het bestreden besluit in stand te laten;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter