Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16279

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 21 februari 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 30 maart 2026 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 17 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag, hierna het bestreden besluit

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011, 2012 en 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 19 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2008. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit aangepast naar toeslagjaren 2011, 2012 en 2013.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 27 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking van 21 februari 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011, 2012 en 2013.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 4 maart 2024, ingekomen op 6 maart 2024, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 3 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 30 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 af te wijzen.

Opname in FSV-lijst
Belanghebbende stelt dat zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) zijn opgenomen, met nadelige gevolgen voor hem waar hij veel last van heeft bij het weer op de rails krijgen van zijn leven. Voor zover belanghebbende zich op het standpunt stelt dat een vermelding in het FSV-register leidt tot vooringenomen handelen door B/T, overweegt de Commissie het volgende. De Commissie heeft op basis van de beschikbare stukken geen aanknopingspunten gevonden om te concluderen dat de vermelding in de FSV van invloed was op de beoordeling van de KOT. Belanghebbende heeft dergelijke aanwijzingen ook niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende geeft wel aan dat hij negatieve gevolgen ondervindt van deze registratie en dat hij deze daarom verwijderd wil zien. Daarnaast wenst hij duidelijkheid over de inhoud van de registratie.

De Commissie heeft begrip voor de moeilijke situatie waarin belanghebbende verkeert. Zij onderkent dat de onduidelijkheid over de registratie en de door hem gestelde negatieve gevolgen ertoe kunnen leiden dat deze situatie door hem als uitzichtloos wordt ervaren. De Commissie merkt in dit verband op dat belanghebbende via de website van de Belastingdienst (https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/contact/content/het-systeemfraude-signalering-voorziening-fsv) een inzageverzoek kan doen om inzage te krijgen in de persoonsgegevens die in de FSV zijn opgenomen. Daarnaast kan belanghebbende via diezelfde weg een verzoek om schadevergoeding indienen en geeft hem in overweging daartoe de hulp in te roepen van zijn contactpersoon bij de gemeente waar hij woonachtig is dan wel zich te doen voorzien van rechtsbijstand. Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Geen compensatie
Op grond van artikel 2.1, lid 1 Wht komt voor compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van institutioneel vooringenomen handelen van de B/T. Op grond van artikel 2.1, lid 2 Wht blijft toekenning van compensatie echter achterwege indien sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Daarvan is onder meer sprake als evident geen recht bestond op KOT. UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat daarvan in de jaren 2011, 2012 en 2013 sprake was, omdat belanghebbende in die jaren niet op hetzelfde woonadres als zijn kinderen stond ingeschreven, geen doelgroeper was en evenmin sprake was van coouderschap. Belanghebbende heeft dit standpunt niet bestreden. Volgens het beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties niettemin sprake zijn van hardheid. De Commissie overweegt dat niet, althans onvoldoende, is gebleken van zodanige uitzonderlijke omstandigheden. Belanghebbende komt daarom voor de jaren 2011, 2012 en 2013 niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter