Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16348

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 26 september 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 7 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 16 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende op 25 oktober 2024 ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit beoordeling kinderopvangtoeslag van 26 september 2024 (met kenmerk UHT-DCHOA), dat: aan belanghebbende met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie is toegekend voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2012 (hierna: het bestreden besluit).

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 16 februari 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • UHT heeft bij besluit van 29 augustus 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 16 september 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of van bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 25 oktober 2024 tegen dit besluit een pro forma bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 18 november 2024 aanvullende bezwaargronden ingediend.
  • UHT heeft op 17 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 7 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 8 april 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend en daarbij antwoord gegeven op de door gemachtigde gestelde vragen met betrekking tot de brieven. De nadere schriftelijke reactie is op 9 april 2026 ter informatie aan gemachtigde toegezonden. 
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Geen compensatie 2005 tot en met 2012.

Belanghebbende stelt dat zij wel recht heeft op compensatie.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2005 tot en met 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel als bedoeld in de Wht. De (hoogte van de) terugvorderingen KOT zijn door UHT in de (nadere) schriftelijke reacties nader onderbouwd en deze komen voort uit reguliere wijzigingen, waaronder een stopzetting door belanghebbende. De bijstellingen zijn daarmee conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven, gelet op artikel 2.1, lid 1, onder b Wht, in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.

Belanghebbende komt voor deze jaren dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.

Voor zover belanghebbende heeft aangegeven de brieven/beschikkingen niet ontvangen te hebben, merkt de Commissie op dat UHT in de nadere schriftelijke reactie hier uitgebreid op in gaat. De Commissie kan zich vinden in de uitleg van UHT en verwijst voor de inhoud hiervan naar de nadere schriftelijke reactie.

Gelet op bovenstaande adviseert de Commissie UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Vergoeding proceskosten
Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar in de visie van de Commissie ongegrond is, de belanghebbende geen recht heeft op vergoeding.

Conclusie

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Geen compensatie 2005 tot en met 2012.

Belanghebbende stelt dat zij wel recht heeft op compensatie.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2005 tot en met 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel als bedoeld in de Wht. De (hoogte van de) terugvorderingen KOT zijn door UHT in de (nadere) schriftelijke reacties nader onderbouwd en deze komen voort uit reguliere wijzigingen, waaronder een stopzetting door belanghebbende. De bijstellingen zijn daarmee conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven, gelet op artikel 2.1, lid 1, onder b Wht, in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.

Belanghebbende komt voor deze jaren dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.

Voor zover belanghebbende heeft aangegeven de brieven/beschikkingen niet ontvangen te hebben, merkt de Commissie op dat UHT in de nadere schriftelijke reactie hier uitgebreid op in gaat. De Commissie kan zich vinden in de uitleg van UHT en verwijst voor de inhoud hiervan naar de nadere schriftelijke reactie.

Gelet op bovenstaande adviseert de Commissie UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Vergoeding proceskosten

Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar in de visie van de Commissie ongegrond is, de belanghebbende geen recht heeft op vergoeding.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter