Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15575

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 28 december 2023 (UHT-DCHO)

Overdracht advies aan UHT: 13 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 34.684 wegens vooringenomenheid voor de maanden januari tot en met april en augustus tot en met december 2012, toeslagjaar 2013 en de maanden januari en februari 2014 en wegens hardheid voor 2018. Hierbij wordt opgemerkt dat UHT bij de berekening van de compensatie over 2012 is uitgegaan van drie maanden evident geen recht, maar in de toelichting in plaats van augustus tot en met december 2012 de periode oktober tot en met december 2012 heeft vermeld. De Commissie gaat er vanuit dat het hier om een kennelijke verschrijving gaat.

UHT heeft daarnaast aan belanghebbende een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend voor een bedrag van € 8.348 voor 2012 en 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 29 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2012 en 2013.
    In overleg met belanghebbende is de herbeoordeling uitgebreid met de toeslagjaren 2014 en 2018.
  • UHT heeft bij beschikking van 13 juli 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij nu niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de beoordeling nog niet klaar is.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de maanden mei tot en met juli 2012 en de maanden maart tot en met december 2014.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 18 oktober 2023, kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van
    € 34.461.
  • UHT heeft bij de bestreden definitieve beschikking van 28 december 2023, met kenmerk UHT-DCHO, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 34.684 wegens vooringenomenheid voor de maanden januari tot en met april en oktober tot en met december van toeslagjaar 2012, toeslagjaar 2013 en de maanden januari en februari van toeslagjaar 2014 en wegens hardheid voor toeslagjaar 2018. UHT heeft aan belanghebbende een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend voor een bedrag van € 8.348 voor toeslagjaren 2012 en 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 24 april 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 16 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift
  • Gemachtigde heeft bij brief van 15 oktober 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • Gemachtigde heeft de Commissie op 16 oktober 2025 geïnformeerd dat belanghebbende en gemachtigde niet bij de hoorzitting aanwezig zullen zijn. Daarnaast heeft gemachtigde verzocht om een extra schriftelijke ronde.
  • De Commissie heeft gemachtigde op 23 oktober 2025 geïnformeerd dat het verzoek niet gehonoreerd wordt en daarbij het belang van een hoorzitting voor belanghebbende benadrukt.
  • De Commissie heeft op 31 oktober 2025 een nader besluit over de procesgang genomen. Zij heeft gemachtigde geïnformeerd dat de hoorzitting van
    18 december 2025, conform het verzoek van gemachtigde, komt te vervallen en dat het gemachtigde vrijstaat om tot 26 november 2025 nadere stukken in te dienen.
  • Gemachtigde heeft op 17 december 2025 het bezwaar aangevuld.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor  de maanden januari tot en met april en augustus tot en met december 2012, 2013 en de maanden januari en februari 2014 en 2018 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de maanden mei tot en met juli 2012 en maart tot en met december 2014 af te wijzen.

Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende. De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, volgend op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.

Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is op 7 mei 2025 naar gemachtigde gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. De Commissie acht het bezwaar op dit punt dan ook ongegrond.

Motivering en formele zorgvuldigheid
De Commissie is van oordeel dat het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – door UHT voldoende in kaart is gebracht. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

Toeslagjaar 2018
Belanghebbende heeft betoogd dat zij voor 2018 gecompenseerd moet worden op grond van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in plaats van hardheid van het stelsel.

De Commissie overweegt als volgt. UHT heeft op 21 augustus 2018 verzocht om nadere informatie. Belanghebbende heeft vervolgens op 31 augustus 2018 verscheidene stukken opgestuurd, waaronder een werkervaringsovereenkomst tussen belanghebbende en de gemeente Lansingerland. Dit werd door de B/T onvoldoende geacht om het recht op KOT vast te stellen. Vervolgens is op 1 oktober 2018 het verzoek om KOT afgewezen. Belanghebbende heeft daarna op 4 oktober 2018 meer stukken naar B/T gestuurd. Naar aanleiding hiervan heeft B/T belanghebbende op 21 mei 2019 geïnformeerd dat zij niet in aanmerking komt voor KOT, omdat zij niet zou voldoen aan de voorwaarden.

Belanghebbende heeft derhalve twee keer de gevraagde informatie naar B/T opgestuurd. In de tijdlijn staat dan ook, op pagina 52 van het bezwaardossier, “Merk op, ouder lijkt op alle vragen te hebben gereageerd, ze had een re-integratietraject in Lansingerland. Ouder had geen toeslagpartner in deze periode.” Ook is gebleken dat belanghebbende daadwerkelijk van kinderopvang gebruik heeft gemaakt in de periode van juni tot en met september 2018. B/T is, ondanks dat zij de gevraagde informatie al in haar bezit had, niet tot toekenning van KOT overgegaan. Dit kan als een vooringenomen handeling van B/T worden beschouwd. Er dient dus gecompenseerd te worden op grond van vooringenomen handelen door B/T en niet op basis van hardheid van het stelsel. De Commissie adviseert dan ook om het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren. 

De compensatieberekening
Belanghebbende stelt dat UHT onvoldoende helder en begrijpelijk aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt hoe de onderdelen van de compensatieberekening zijn opgebouwd.

In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten van de compensatieberekening en de hoogte hiervan concreet toegelicht en de compensatieberekening volledig heroverwogen. UHT heeft daarbij opgemerkt dat er een aantal fouten in de compensatieberekening zit.

De kinderopvangtoeslag voordat deze naar beneden werd aangepast, component a
Voor 2012 had hier een bedrag van € 7.515 opgenomen moeten worden, in plaats van € 8.110 en voor 2018 had er een bedrag van € 4.574 moeten staan, in plaats van € 3.972.

De toeslag die belanghebbende niet heeft gekregen of moest terugbetalen (exclusief toeslagrente), component c
Voor 2012 had hier een bedrag van € 4.773 opgenomen moeten worden, in plaats van   € 5.368 en voor 2018 had er een bedrag van € 4.574 opgenomen moeten worden, in plaats van € 3.972.

De kinderopvangtoeslag die u niet hebt gekregen of die u moest terugbetalen (inclusief toeslagrente), component e
Net als bij component c had ook hier bij component e voor 2012 had hier een bedrag van € 4.773 opgenomen moeten worden, in plaats van € 5.368 en voor 2018 had er een bedrag van € 4.574 opgenomen moeten worden, in plaats van
€ 3.972.

Kinderopvangtoeslag die u niet hebt terugbetaald of niet verrekend is, component g
Voor toeslagjaar 2014 staat hier ten onrechte het bedrag van € 5.384. Dit zou een bedrag van € 31.510 moeten zijn.

Materiële schade die wij vergoeden (25% van e), component h
Bij component h is er voor 2018 ten onrechte een bedrag van € 993 opgenomen,
in plaats van € 1.143,50.

Rentevergoeding over gemiste KOT, component o
UHT heeft ten aanzien van de rentevergoeding over gemiste KOT eveneens geconcludeerd dat de bedragen onjuist zijn. Zo is er over 2012 een bedrag van
€ 2.252 vastgesteld, terwijl dit € 2.266 had moeten zijn, is er over 2013 een bedrag van € 3.828 vastgesteld, in plaats van € 3.853, is er over 2014 een bedrag van €1.869 vastgesteld in plaats van € 1.882 en voor 2018 is er een bedrag van € 743 vastgesteld in plaats van € 867.

De Commissie neemt met instemming kennis van het standpunt van UHT om de bedragen die in het nadeel van belanghebbende zijn vastgesteld aan te passen bij de beslissing op bezwaar en de bedragen die in het voordeel van belanghebbende zijn vastgesteld, te handhaven. De Commissie acht dit onderdeel van het bezwaar gegrond.

Vergoeding voor immateriële schade (component n)
Als startdatum van de periode waarover de immateriële schade wordt berekend is 27 januari 2014 gehanteerd terwijl dit 14 maart 2014 had moeten zijn. Nu de Commissie het bezwaar met betrekking tot de berekening van de componenten a,c,e,h en o gegrond acht, adviseert zij om de vergoeding van de immateriële schade te berekenen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar en daarbij alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies.

Werkelijke schade
Belanghebbende voert aan dat zij meer schade heeft geleden dan waarvoor aan haar compensatie is toegekend.

Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor bestaat een aparte procedure waarbij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) advies uitbrengt.

Herbeoordeling mei tot en met juli 2012 en maart tot en met december 2014
Volgens artikel 2.1 lid 1 van de Wht komt voor compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in de maanden mei tot en met juli van 2012 en maart tot en met december van 2014, nu belanghebbende gedurende die maanden geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvangtoeslag. Dit heeft belanghebbende ook bevestigd in haar ouderverhaal.

Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke situaties heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor de maanden mei tot en met juli van 2012 en maart tot en met december van 2014 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren

2011
Gemachtigde heeft in deze bezwaarprocedure aangevoerd dat belanghebbende mogelijk aanspraak heeft op compensatie voor het jaar 2011. De Commissie adviseert UHT dit jaar in haar beslissing op bezwaar mee te nemen en belanghebbende zo nodig op de hoogte te stellen van haar bevindingen voorafgaande aan die beslissing en haar in de gelegenheid te stellen om daarop een zienswijze te geven.

Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat de B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen zou geen recht doen aan de situatie van belanghebbende omdat de schade die door de B/T werd veroorzaakt ook doorwerkt in opvolgende jaren.

De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.

Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOIviewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Registratie kinderopvanginstelling
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen. De Commissie stelt vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

FSV-lijst
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken. De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.

O/GS
Belanghebbende heeft aangegeven dat zij de constatering, dat er sprake was van een onterechte kwalificatie Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS), nader toegelicht wil hebben met onderbouwende stukken. Door UHT is verwezen naar productie 1300001, pagina 587, in het dossier waarin slechts de vaststelling te lezen is dat er sprake is geweest van de onterechte kwalificatie O/GS. De Commissie adviseert dat UHT in het besluit op bezwaar alsnog een toelichting geeft over de wijze waarop deze vaststelling heeft plaatsgevonden met, indien mogelijk, een verwijzing naar de hieraan ten grondslag liggende stukken.

Discriminatie
Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, is de Commissie uit de ter beschikking staande stukken niet gebleken.

Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van een procespunt (bezwaarschrift) met een wegingsfactor 2.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Daarnaast adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter