Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16740

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 12 oktober 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 4 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 15 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €69.013,- voor de jaren 2009 tot en met 2011 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2015.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 1 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2014. De jaren 2007 en 2009 tot en met 2015 zijn betrokken in de herbeoordeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 4 juli 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2007 en 2012 tot en met 2015 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €67.577,-.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €69.013,- voor de jaren 2009 tot en met 2010. Er is geen compensatie toegekend voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2015.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 14 november 2023, ingekomen op 16 november 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 29 april 2025 het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 25 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 30 januari 2026 het bezwaar aangevuld.
  • Op 4 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 25 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 11 maart 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor  de jaren 2009 tot en met 2011 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2015 af te wijzen. Gelet op de bezwaargronden en het verhandelde op de hoorzitting zijn enkel de jaren 2012, 2014 en 2015 in geschil.

Toeslagjaar 2012
Belanghebbende betoogt dat ten onrechte te weinig opvanguren zijn toegekend. In het besluit is niet betrokken waarom de opvanguren voor toeslagjaar 2012 lager zijn vastgesteld. De werkwijze die in toeslagjaar 2009 en 2011 is toegepast werd ook gehanteerd over toeslagjaar 2012.

UHT stelt dat in de beschikking van 30 mei 2014 is beschikt conform de door belanghebbende verstrekte gegevens (productie 1212006). Daarnaast is er in deze beschikking rekening gehouden met een lager toetsingsinkomen.

De Commissie overweegt ten aanzien van toeslagjaar 2012 als volgt.
De beschikking van 29 december 2011 betreft 191 uren buitenschoolse opvang bij een gastouder voor D.D.L. Coffa tegen een tarief van €5.93. Voor [naam] betreft het 185 uren buitenschoolse opvang bij een gastouder tegen hetzelfde tarief, alsmede 25 uren per week buitenschoolse opvang bij een kindercentrum tegen een tarief van €6,15 (productie 1212002). Op basis van de door belanghebbende verstrekte gegevens, waaronder de jaaropgaven van zowel de gastouder als het kindcentrum, is de KOT aangepast (productie 1212006).
Daarbij is voor [naam] uitgegaan van 190 uren buitenschoolse opvang bij een gastouder. Voor [naam] is vastgesteld dat 180 uren buitenschoolse opvang bij een gastouder zijn afgenomen tegen een tarief van €4,79. Daarnaast zijn voor [naam] 22 uren opvang bij het kindcentrum toegekend, waarbij is aangesloten bij het geldende maximumtarief van €5,93 in plaats van het doorgegeven tarief van €6,63 (productie 1212010).

De Commissie is van oordeel dat de gegevens uit de jaaropgaven correct zijn overgenomen en verwerkt door B/T.

De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2014
Over toeslagjaar 2014 is de KOT tweemaal neerwaarts gecorrigeerd. De eerste verlaging vond plaats na de vaststelling van het aantal gewerkte uren. De tweede verlaging volgde nadat een toeslagpartner aan de aanvraag was toegevoegd. 

Gewerkte uren
Belanghebbende voert aan dat de ambtshalve vaststelling van 40 werkuren onterecht is. Zij stelt dat zij meer uren per week werkte. Daarnaast meent belanghebbende dat B/T vooringenomen heeft gehandeld nu uit het opvangcontract 2014 bleek dat voor een bedrag van €12.888,50 opvang is genoten.

UHT stelt dat na meerdere uitvragen bij belanghebbende geen stukken zijn ontvangen waaruit volgt hoeveel uren belanghebbende heeft gewerkt. Uit de voorlopige winst en verliesrekening van 2014 kan dit niet worden opgemaakt (productie 1214013, pagina 957). B/T heeft daarom KOT toegekend op basis van een 40-urige werkweek hetgeen leidt tot 2.080 arbeidsuren per jaar (40 uur x 52 weken). Belanghebbende nam buitenschoolse opvang af waardoor recht bestond op een bedrag van 1.456 uren per jaar (2.080 x 0,7). Dit komt neer op 122 uren per maand (1.456 / 12). UHT stelt dat geen sprake is van een vooringenomen handeling.

De Commissie overweegt dat uit de stukken die belanghebbende heeft aangeleverd bij B/T niet kon worden opgemaakt hoeveel uren werden gewerkt. B/T heeft meerdere malen gevraagd aan belanghebbende om een overzicht van de gewerkte uren aan te leveren, met bijvoorbeeld loonstroken, urenregistraties, agenda of facturen (productie 1214003, 1214007, 1214009, 1214011). Belanghebbende heeft destijds in een reactie aan B/T geschreven: “Ik werk wel degelijk 40 uren, zelfs wel meer denk ik. Ik ben zelfstandig ondernemer cq. ZZP’er. Ik ben zelfstandig kapper, simpel na te trekken in het KvK register. Ik werk zelfs
6 dagen in de week, daar ik op maandag bv cursussen volg, inkopen doe bij de groothandel en mijn administratie.” (pagina 977 ouderdossier). Uit deze mededeling kan worden afgeleid dat belanghebbende zich op het standpunt stelt in ieder geval 40 uren per week te hebben gewerkt in haar onderneming. Uit de mededeling kan ook worden afgeleid dat belanghebbende dit als een minimumpositie ziet, maar zij geeft geen enkel inzicht om hoeveel meer uren het daarbij zou gaan. B/T heeft, door uit te gaan van een 40-urige werkweek, dan ook niet vooringenomen gehandeld.

De Commissie meent dat de berekening die UHT heeft gemaakt in de aanvullende beschouwing juist is, en dat B/T destijds terecht de uren heeft verlaagd naar 122 uren per maand.

De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagpartner
Verder stelt belanghebbende dat zij nadeel heeft ondervonden van het vermeende toeslagpartnerschap. Hierdoor heeft zij aanzienlijk minder KOT ontvangen over dit toeslagjaar, terwijl deze fout niet aan haar was te wijten.

UHT stelt dat op grond van artikel 3 lid 2 sub e Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) de heer [naam] terecht als toeslagpartner is aangemerkt in de periode 26 maart 2014 tot en met 16 juni 2014. Uit de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) blijkt dat de heer [naam] op het adres van belanghebbende stond ingeschreven (productie 2800015).

De Commissie stelt vast dat uit de BRP volgt dat de heer [naam] op het adres van belanghebbende stond ingeschreven voor de periode 26 maart 2014 tot en met 16 juni 2014. Belanghebbende heeft verklaard dat zij niet heeft samengewoond met de heer [naam]. Hij moest zijn woning verlaten en zou haar woning overnemen. Het huis van belanghebbende had een grote zolder en hier heeft de heer [naam] zijn intrek genomen. Belanghebbende heeft verklaard dat de heer [naam] het adres enkel als een postadres zou gebruiken. B/T heeft vervolgens uitvraag gedaan bij belanghebbende over het inkomen van de heer [naam] om de hoogte van de KOT te bepalen.

Belanghebbende heeft verklaard dat het niet mogelijk was om in contact te komen met de heer [naam], omdat hij met de noorderzon was vertrokken. Het was dus niet mogelijk om na te gaan wat zijn inkomen was in deze periode (productie 1214016). Nu in de systemen van B/T geen informatie is terug te vinden over het inkomen van de heer [naam] is de KOT voor de periode van het toeslagpartnerschap nihil beschikt.

De Commissie overweegt dat aangezien de heer [naam] in de BRP stond ingeschreven op het woonadres van belanghebbende en voldeed aan de wettelijke criteria voor toeslagpartnerschap, B/T ervan mocht uitgaan dat belanghebbende een toeslagpartner had. Nu het inkomen van deze toeslagpartner niet bekend was bij BT, ook niet na uitvraag, handelde B/T niet vooringenomen door de KOT neerwaarts bijstellen. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2015
UHT  erkent dat de stopzetting van de KOT per 1 februari 2025, vanwege een nieuwe toeslagpartner, onterecht was. Echter is geen sprake van een vooringenomen handeling. De stopzetting was het gevolg van een verkeerde registratie van de verhuismelding van belanghebbende bij de gemeente Den Haag (productie 1215001). Nadat de verhuismelding juist is verwerkt is de KOT van belanghebbende bij beschikking van 21 oktober 2015 opwaarts gecorrigeerd.

Wel acht UHT compensatie geboden op grond van de hardheidsregeling. De gemeente heeft de fout in juli 2015 hersteld, maar hierna duurde het alsnog tot oktober 2015 voordat belanghebbende weer KOT ontving. Aangezien dit zeer vervelende gevolgen heeft gehad voor belanghebbende wordt toeslagjaar 2015 gecompenseerd op grond van de hardheidsregeling.

De Commissie is van oordeel dat het handelen B/T niet getuigt van vooringenomenheid.

De dienst ging uit van de informatie in de BRP en mocht dat ook. De door UHT voorgenomen toepassing van de hardheidsregeling acht de Commissie in dit geval passend.

De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.

Compensatieberekening
UHT is tot de conclusie gekomen dat component O voor alle te compenseren toeslagjaren (rentevergoeding voor gemiste KOT) onjuist is vastgesteld.
De einddatum van de berekening is vastgesteld op 16 oktober 2023. Dit had
12 oktober 2023 moeten zijn. Nu de onjuiste berekening in het voordeel van belanghebbende is, is UHT voornemens om component O in stand te laten.
De Commissie zal overeenkomstig adviseren.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken
- waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijke Incasso Centrum (LIC) - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden besluiten behoeft in dit geval geen beantwoording. De nadere toelichting over de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en om:

  • compensatie toe te kennen op grond van de hardheidsregeling over toeslagjaar 2015;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter