BAC 2023-14914
Publicatiedatum 02-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 15 augustus 2023 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 10 februari 2026
Overdracht advies aan UHT: 15 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De gemachtigde heeft namens de belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 augustus 2023 waarbij belanghebbende is meegedeeld: dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2014 tot en met 2018 is gebleken van fouten met betrekking tot de toeslagjaren januari tot en met augustus 2015, maart tot en met december 2016 en 2017. Voor de toeslagjaren 2014, september tot en met december 2015 en januari en februari 2016 heeft belanghebbende recht op een tegemoetkoming opzet/grove schuld. Belanghebbende heeft daarom recht op een totaal compensatiebedrag van € 44.560.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- Bij brief van 21 april 2021 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader van de eerste toets, recht heeft op een betaling van € 30.000.
- Op 29 maart 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor de toeslagjaren 2014 en 2018 en de maanden september tot en met december 2015 en de maanden januari en februari 2016 geen herstelregeling van toepassing is. Voor de maanden januari tot en met augustus 2015, de maanden maart tot en met december 2016 en 2017 is de compensatieregeling wel van toepassing. Voorts dient over de terugvordering over 2014, de maanden september tot en met december 2015 en de maanden januari en februari 2016 een O/GS-tegemoetkoming te worden verleend.
- Bij brief van 15 augustus 2023 is het bestreden besluit genomen.
- Bij brief van 13 september 2023 heeft gemachtigde tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt.
- Bij brief van 11 oktober 2024 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Bij brief van 17 maart 2025 heeft gemachtigde wederom aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Op 31 juli 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 1 december 2025 heeft gemachtigde meer aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Op 10 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Op 4 maart 2026 heeft UHT een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend.
- Op 31 maart 2026 heeft gemachtigde gereageerd op de aanvullende schriftelijke beschouwing.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter en twee commissieleden heeft dit advies behandeld.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Herbeoordeelde toeslagjaren
2014
De KOT voor 2014 is nihil beschikt op 30 oktober 2015. Dit heeft ermee te maken dat belanghebbende tweemaal is gevraagd om informatie toe te sturen om het recht op KOT vast te stellen en van deze gelegenheden geen gebruik heeft gemaakt. De Commissie acht het onvoldoende aannemelijk dat belanghebbende de uitvraagbrieven van 1 juli 2015 en 25 augustus 2015 niet heeft ontvangen. Immers, tegen de beschikking van 16 oktober 2015, die naar hetzelfde woonadres is verzonden, is bezwaar gemaakt waarmee naar het oordeel van de Commissie voldoende aannemelijk is dat belanghebbende de uitvraagbrieven wel heeft ontvangen.
2015
Voor de periode september 2015 tot en met december 2015 is er sprake van de situatie van evident geen recht op KOT, omdat belanghebbende een toeslagpartner had die geen betaalde arbeid verrichtte. Belanghebbende heeft gesteld dat zij niet samenwoonde met haar toeslagpartner. Echter, niet is van belang of toeslagpartners samenwonen maar gaat het om de vraag of er sprake is van toeslagpartners. Dat is het geval als partners gehuwd zijn of er sprake is van een geregistreerd partnerschap. Dat was hier het geval (tot 3 augustus 2016). Nu vaststaat dat de toeslagpartner van september 2015 tot en met december 2015, na afloop van de uitloopperiode van zes maanden, geen arbeid verrichtte, heeft UHT zich op het standpunt mogen stellen dat er voor deze periode sprake is van de situatie van evident geen recht op KOT. Dit geldt ook voor de periode januari en februari 2016. Evenwel adviseert de Commissie, ondanks dat dit niet aangevoerd is door belanghebbende, om uit te zoeken of er sprake is geweest van doelgroeperschap en de uitkomst van dit onderzoek op te nemen in de beslissing op bezwaar.
2018
Belanghebbende is tweemaal om informatie gevraagd om haar recht op KOT te kunnen vaststellen. Hierop is geen reactie ontvangen, waarna haar recht op KOT op € 0 is vastgesteld. Belanghebbende heeft aangegeven dat zij de vraagbrieven niet heeft ontvangen, omdat alle correspondentie naar haar bewindvoerder ging. De Commissie is van oordeel dat het de verantwoordelijkheid van de bewindvoerder is om tijdig alle post door te sturen naar belanghebbende.
Niettemin adviseert de Commissie om, voordat de beslissing op bezwaar wordt genomen, in constructief overleg te treden met belanghebbende waarbij ruimhartigheid heeft te gelden met het doel om te onderzoeken of zij in aanmerking komt voor compensatie op basis van hardheid, gelet op het overwogene op pagina 25 van het Handboek Integrale Beoordeling:
‘’LET OP! Persoonlijke of externe omstandigheden kunnen er wel voor gezorgd hebben dat de ouder niet heeft kunnen reageren of pas later heeft kunnen reageren, waardoor financiële schade is ontstaan. Een voorbeeld hiervan is non-respons van de bewindvoerder (wanneer de brieven aan de bewindvoerder zijn verzonden), waardoor ouder wordt geconfronteerd met financiële schade, die niet meer door handelingen van de bewindvoerder is hersteld. Omdat BD/T niet op de hoogte had kunnen zijn van deze omstandigheden is er geen sprake van vooringenomen handelen, wel kan in specifieke situaties worden gecompenseerd wegens hardheid als er wel recht bestond op KOT.’’
De KOT voor 2014, september 2015 tot en met december 2015, januari en februari 2016 en 2018 is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van non-respons door belanghebbende en een toeslagpartner die geen betaalde arbeid verrichtte. De Commissie heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de producties waaruit dit blijkt.
De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast.
Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.
Compensatieberekening
In de schriftelijke beschouwing is aangegeven dat component ‘p’ zal worden aangepast in de beslissing op bezwaar. Ter hoorzitting heeft de behandeld ambtenaar zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van een fout en dat component ‘p’ niet aangepast zal worden. De Commissie is van oordeel dat er een toezegging is gedaan om component ‘p’ aan te passen en adviseert deze, gelet op het vertrouwensbeginsel, gestand te doen.
Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- het bezwaar ongegrond te verklaren;
- de compensatieberekening aan te passen;
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter