Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16022

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 2 april 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: heeft op verzoek van belanghebbende niet plaatsgevonden

Overdracht advies aan UHT: 15 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2015, 2016, 2017 en 2018.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 24 november 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015 tot en met 2018.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 21 maart 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2018.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2015 tot en met 2018.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 2 mei 2024, ingekomen op 2 mei 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 3 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 27 november 2025 heeft de Commissie gemachtigde verzocht binnen twee weken kenbaar te maken of belanghebbende wenste te worden gehoord. Daarbij is aangegeven dat bij het uitblijven van een reactie ervan zou worden uitgegaan dat belanghebbende niet wenste te worden gehoord. Een reactie van de gemachtigde is uitgebleven. De Commissie ziet daarom, op grond van artikel 7:3 aanhef en onder d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belanghebbende.
  • Gemachtigde heeft op 29 januari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend, waarop UHT op 18 februari 2026 heeft gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Het zorgvuldigheidsbeginsel
Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gebreken in de motivering bevat, kan UHT dit in de beslissing op bezwaar herstellen aan de hand van hetgeen daarover in haar beschouwing en aanvullende beschouwing is opgemerkt. De Commissie stelt op basis van het dossier vast dat een verslag van het oudergesprek is verwerkt in het informatie- en beoordelingsformulier, dat volgens dit verslag de gemachtigde tijdens het gesprek aanwezig was, dat de opmerkingen van de gemachtigde in het verslag zijn opgenomen en dat de gemachtigde het bestand met het gespreksverslag heeft ontvangen. Er bestaan geen aanknopingspunten voor de conclusie dat UHT het  ouderverhaal niet heeft betrokken bij de herbeoordeling van de KOT over de toeslagjaren 2015 tot en met 2018. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Volledig dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. UHT is op grond van artikel 7:4, tweede lid van de Awb gehouden niet het persoonlijk dossier, maar de op de zaak betrekking hebbende stukken met belanghebbende te delen. De Commissie constateert dat het XML-bestand met betrekking tot de stopzetting van de KOT op 15 mei 2018 door belanghebbende en de stukken met betrekking tot de herbeoordeling van het toeslagjaar 2019 ontbreken. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, inzage te geven in de hiervoor genoemde stukken en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

De Commissie Werkelijke Schade
Zoals uit de hiernavolgende overwegingen met betrekking tot de toeslagjaren 2015 tot en met 2018 blijkt, komt belanghebbende niet voor compensatie op grond van de Wht in aanmerking. De weg naar vergoeding van de werkelijk geleden schade staat binnen het kader van deze hersteloperatie uitsluitend open voor degenen die zijn gecompenseerd en menen meer schade te hebben geleden dan waarin de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) voorzien. Belanghebbende kan daarom in het kader van de hersteloperatie geen procedure voor vergoeding van de werkelijk geleden schade doorlopen.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Afgewezen toeslagjaren
Bij het bestreden besluit heeft UHT geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2015 tot en met 2018 geen recht heeft op compensatie op basis van vooringenomen handelen, hardheid van het stelsel of een onterechte veronderstelling dat belanghebbende opzet/grove schuld trof met betrekking tot het ten onrechte ontvangen van KOT. Volgens belanghebbende is de compensatie over deze jaren ten onrechte afgewezen.

De Commissie leidt uit de informatie in het informatie- en beoordelingsformulier (pagina 21 van het dossier) af dat belanghebbende voorkwam op de lijst van ouders die betrokken was bij een CAF-onderzoek, namelijk “CAF 1626 Spiegel”. Dat onderzoek is niet als “CAF-11” vergelijkbaar beoordeeld, waardoor dus geen sprake is van groepsgewijs vooringenomen handelen.

In het toeslagjaar 2015 is de KOT verlaagd op basis van informatie uit de UWV-viewer, zonder voorafgaande uitvraag bij belanghebbende. Daardoor heeft de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vooringenomen gehandeld. Achteraf is gebleken dat het bij de verlaging gehanteerde aantal door belanghebbende gewerkte uren correct is. Daarmee wordt de vooringenomenheid niet ongedaan gemaakt. Een verzuim, gelegen in het niet uitvragen van informatie waar dat wel geboden is, wordt niet geheeld door de constatering achteraf dat de omvang van het recht op KOT destijds correct werd vastgesteld. Artikel 2, lid 1, Wht vereist echter voor het in aanmerking komen van compensatie naast vooringenomenheid ook daaruit voortvloeiende schade. Van dergelijke schade is de Commissie niet gebleken, zodat voor compensatie op grond van vooringenomen handelen jegens belanghebbende geen plaats is. In het toeslagjaar 2015 is minder dan € 1.500 teruggevorderd. Hardheid van het stelsel is daarom niet aan de orde.

In het toeslagjaar 2016 heeft geen verlaging van de KOT plaatsgevonden, zodat geen recht op compensatie bestaat.

In het toeslagjaar 2017 heeft een verlaging plaatsgevonden. Deze verlaging was gebaseerd op een reguliere wijziging (een hoger toetsingsinkomen).
Daarom bestaat geen recht op compensatie wegens vooringenomen handelen. Voorts is minder dan € 1.500 teruggevorderd. Hardheid van het stelsel is daarom niet aan de orde.

In het toeslagjaar 2018 heeft een verlaging plaatsgevonden op basis van een reguliere wijziging (de stopzetting van de KOT op 15 mei 2018 door belanghebbende, met ingang van 15 juli 2018). Daarom bestaat geen recht op compensatie wegens vooringenomen handelen. De terugvordering bedroeg
€ 1.500 of meer. Bijzondere omstandigheden ontbreken echter. Weliswaar werd een deel van de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) uitbetaald, maar dit bedrag is volledig ten goede gekomen aan belanghebbende door de genoten opvang. Tenslotte heeft de Commissie voor geen van de hiervoor genoemde jaren aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de onterechte veronderstelling dat zij opzettelijk of door grove schuld ten onrechte KOT had ontvangen.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Niet herbeoordeeld toeslagjaar
Belanghebbende heeft verzocht om het toeslagjaar 2019 alsnog in de herbeoordeling te betrekken. In haar ogen had dit moeten gebeuren, omdat over dit toeslagjaar KOT is  toegekend. Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voorafgaand aan 2020 waarin de aanvrager van compensatie KOT heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een besluit daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken.
De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op de toeslagjaren 2015 tot en met 2018. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft het toeslagjaar 2019 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden het bestreden besluit moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en het bestreden besluit de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om dit toeslagjaar alsnog in haar advisering te betrekken. UHT heeft in haar aanvullende beschouwing van 18 februari 2026 weliswaar opmerkingen gemaakt over het toeslagjaar 2019, maar daarmee geen volledige herbeoordeling van dat toeslagjaar gegeven. De Commissie verzoekt UHT daarom het verzoek van belanghebbende als een aanvullend verzoek in de herbeoordeling te betrekken. Nu deze werkwijze, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie de behandeling van het bezwaar niet aan. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren weer niet. Een opdeling in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder in een bepaald jaar door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid. De stelling dat vooringenomenheid in een bepaald toeslagjaar vooringenomenheid in alle toeslagjaren betekent acht de Commissie onjuist. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikelen 19 en 16 Awir
Belanghebbende stelt dat B/T in strijd met het toen geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in de betreffende toeslagjaren. Verder betoogt belanghebbende, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting ten aanzien van artikel 16 Awir, dat B/T een onderzoeksplicht vooraf had, op basis van tastbare gegevens, of aanspraak bestond op KOT voordat een voorschot KOT werd toegekend. Het niet voldoen aan deze onderzoeksplicht komt voor rekening van B/T, terugvordering mag dan niet meer. De Commissie begrijpt dat belanghebbende hiermee betoogt dat B/T vooringenomen handelde als zij die onderzoeksplicht verwaarloosde. De Commissie is van oordeel dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen. Ten aanzien van de door belanghebbende gestelde onderzoeksplicht is de Commissie van opvatting dat daaraan door B/T werd voldaan via de aanvraagprocedure, waarin de aanvrager door diverse vragen te beantwoorden aan B/T inzicht bood of al of niet recht op KOT bestond.  De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT, zoals indertijd definitief vastgesteld, te beoordelen. De Wht is echter bedoeld voor herstel van  schade veroorzaakt door bepaald handelen van B/T. De Wht heeft geen betrekking op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de bevoegdheid van de Commissie. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht waren om  opvanggegevens in de viewer te registreren. De Commissie is van oordeel dat B/T mocht uitgaan van de juistheid van de in de KOI-viewer geregistreerde gegevens, tenzij er contra-indicaties waren die de dienst aan de juistheid van de geregistreerde gegevens hadden moeten doen twijfelen. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat B/T twijfel als voormeld had moeten koesteren. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Registratie KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een KOI,  belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen. De Commissie stelt vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Bezwaarprocedures in het verleden
Belanghebbende stelt dat voor de jaren waarvoor zij bezwaar heeft gemaakt geen beslissing op bezwaar is genomen en dat om deze reden sprake is van vooringenomen handelen. De Commissie overweegt dat uit de stukken van de zaak niet blijkt dat belanghebbende destijds een bezwaar heeft ingediend.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT
Belanghebbende heeft de Commissie verzocht om advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen maatregel vanwege de termijnoverschrijding bij het nemen van een beslissing op het bezwaar. Het gevolg van een termijnoverschrijding is dat belanghebbende mogelijk recht heeft op een dwangsom. Hiertoe kan belanghebbende UHT in gebreke stellen en zo nodig in beroep gaan bij de bestuursrechter. Deze weg heeft belanghebbende ook bewandeld. De Commissie heeft geen bevoegdheid hierover een advies uit te brengen, omdat dit valt buiten het kader van haar bevoegdheden als bedoeld in artikel 3 van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Fraude Signalering Voorziening
Belanghebbende verzoekt om de onderliggende stukken met betrekking tot de FSV, omdat zij wil weten welke gegevens over haar in de systemen zijn opgenomen. Als productie 1400001 is in het dossier opgenomen een FSV Vaststellingsformulier en als productie 1400002 een FSV-informatieoverzicht. Uit deze stukken blijkt welke gegevens over belanghebbende in de FSV waren vermeld. Daarmee beschikt belanghebbende over de tot de zaak behorende stukken die betrekking hebben op de registratie van belanghebbende in de FSV.
De Commissie heeft in deze zaak niet kunnen vaststellen dat de vermelding van de persoonsgegevens van belanghebbende in de FSV heeft geleid tot een zero-tolerance-onderzoek. De verlagingen van de KOT zijn immers gebaseerd op reguliere wijzigingen. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderliggende stukken O/GS-beoordeling
Gemachtigde verzoekt in het aanvullend bezwaarschrift om alle O/GS-stukken.
Zij acht deze stukken van groot belang om een volledige beoordeling te kunnen maken. Belanghebbende wordt in haar procesbelang geschaad doordat zij niet over de O/GSstukken beschikt. Naar het oordeel van de Commissie heeft belanghebbende recht op de stukken die van belang waren voor de ‘O/GS-beoordeling’. Die stukken zijn op de zaak betrekking hebbende stukken.
De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage dient te geven in die stukken. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die van belang waren voor de ‘O/GS- beoordeling’ en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Discriminatie
In de stukken van het bezwaardossier heeft de Commissie geen aanwijzingen gevonden dat in het geval van belanghebbende discriminatie heeft plaatsgevonden.

De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Verrekeningen
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met nadien toegekende toeslagen (waaronder toegekende KOT). De Commissie overweegt dat de door B/T toegepaste verrekeningen berustten op een wettelijke bevoegdheid. In zoverre de vorderingen van B/T op belang-hebbende, die deel uitmaakten van die verrekeningen, onterecht waren en door het verrekenen schade aan belanghebbende werd toegebracht, kan die schade als ‘werkelijke schade’ worden geclaimd. Deze procedure heeft echter betrekking op standaardvergoedingen voor schade, waartoe de hiervoor vermelde schade niet behoort. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Geen proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen procesvergoeding toe te kennen. 

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter