BAC 2025-16072
Publicatiedatum 02-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 16 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA
Hoorzitting:16 maart 2025
Overdracht advies aan UHT: 13 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, geen proceskostenvergoeding toe te kennen en in de beslissing op bezwaar de volgens gemachtigde op de zaak betrekking hebbende stukken beschikbaar te stellen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT definitieve genomen besluit compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2014 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 20 april 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 tot en met 2019.
- UHT heeft bij besluit van 12 april 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling.
- UHT heeft bij voorlopig besluit van 11 september 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor compensatie over de jaren 2014 tot en met 2019. Gemachtigde heeft op 20 oktober 2023 een zienswijze ingediend. UHT heeft op 14 november 2023 op de zienswijze gereageerd.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 8 februari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 2.1 eerste lid van de Wht niet van toepassing is op de jaren 2014 tot en met 2019.
- UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2014 en met 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 20 april 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 21 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bevestigd dat belanghebbende ervan af ziet om te worden gehoord.
- Gemachtigde is op 13 januari 2026 overeenkomstig haar mededeling daarover in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke reactie te geven. Gemachtigde heeft hiervan, na een herinnering aan deze mededeling op 6 maart 2026, daarvan geen gebruik gemaakt.
- De Commissie heeft het advies besproken in haar vergadering van 16 maart 2026.
- Op 9 april heeft gemachtigde buiten de door de Commissie gestelde termijn een nadere schriftelijke reactie ingediend.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag gesteld of UHT terecht en op goede gronden compensatie over de jaren 2014 tot en met 2019 heeft afgewezen.
Onvolledig dossier, ontbrekende stukken, ontbreken ouderverhaal
De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift in haar beschouwing van 21 augustus 2025 en heeft aanvullende producties overgelegd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en zijn zij (tweemaal) in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
De Commissie ziet in de stelling van belanghebbende geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit. Met betrekking tot het ontbreken van het ouderverhaal, constateert de Commissie op basis van mailcorrespondentie dat aan gemachtigde en belanghebbende voldoende mogelijkheden zijn geboden om het ouderverhaal in een persoonlijk gesprek toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Afgewezen toeslagjaren
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2014 tot en met 2019 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
De terugvorderingen KOT over de jaren 2017 en 2019 waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend.
Dat voorschot is door reguliere wijzigingen (stopzetting KOT, gegevens in KOI-viewer, wijzigingen in aantal uren opvang en uurtarief) opnieuw berekend.
Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op compensatie wegens vooringenomenheid of hardheid.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden in het dossier dat over de betrokken jaren een onterechte opzet/ grove schuld (O/GS) kwalificatie is vastgesteld zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde vergoeding. UHT heeft over deze jaren geoordeeld dat er geen recht op compensatie bestaat. UHT heeft geen stukken overlegd met behulp waarvan deze vaststellingen gecontroleerd kunnen worden. In haar aanvullende schriftelijke reactie heeft gemachtigde gesteld dat er daardoor op de zaak betrekking hebbende stukken ontbreken, met verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 31 maart 2026. De Commissie overweegt hierover als volgt. In haar oorspronkelijke bezwaarschrift betrekt gemachtigde deze omissie niet als bezwaargrond. Aangezien de aanvullende schriftelijke reactie met de daarmee verbonden verwijzing is ingediend buiten de door de Commissie gegeven termijnen voor het indienen van een schriftelijke reactie ziet de Commissie geen redenen om het bezwaar alsnog gegrond te verklaren. De Commissie doet UHT de suggestie om in de te nemen beslissing op bezwaar de op de zaak betrekking hebbende stukken alsnog beschikbaar te stellen aan belanghebbende. Het bezwaar is ongegrond.
Niet herbeoordeelde toeslagjaren
Volgens belanghebbende is er in het dossier een aanwijzing dat er vóór het toeslagjaar 2014 ook KOT zou zijn ontvangen en dit is door UHT niet meegenomen in haar beoordeling. Belanghebbende verwijst naar pagina 174 van het dossier. Op deze pagina staat vermeld dat er een bedrag van € 460 is verrekend met de KOT 2010. Volgens UHT betreft dit een verschrijving: het betrof een verrekening van de KOT in 2020. Hierbij verwijst UHT naar het LIC-overzicht van het jaar 2017 waarin staat dat er een bedrag van € 460 is verrekend met de KOT van het jaar 2020 op
11 augustus 2020. De Commissie constateert dat er sprake is van een verschrijving en heeft verder geen aanwijzingen gevonden in het dossier dat belanghebbende vóór het toeslagjaar 2014 KOT heeft ontvangen. Het bezwaar slaagt niet.
Proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit niet te herroepen, geen proceskostenvergoeding toe te kennen en in de beslissing op bezwaar de volgens gemachtigde op de zaak betrekking hebbende stukken beschikbaar te stellen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter