BAC 2025-16824
Publicatiedatum 02-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 16 december 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 21 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 14 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadvies commissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is bij besluit van 16 december 2024 (hierna: bestreden besluit) met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2006 en een tegemoetkoming O/GS toegekend voor toeslagjaar 2008 voor in totaal een bedrag van €7.879,-.
Dit bedrag is op grond van de
Catshuisregeling aangevuld tot €30.000,-. Er is geen compensatie of tegemoetkoming O/GS toegekend voor de jaren 2007, 2009 tot en met 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 16 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- UHT heeft bij besluit van 23 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 11 november 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2007 tot en met 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2006 en een tegemoetkoming
- O/GS toegekend voor toeslagjaar 2008 voor in totaal een bedrag van €7.879,-. UHT heeft geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 tot en met 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 9 december 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 30 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Kantoorgenoot van gemachtigde, heeft bij brief van 12 januari 2026 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 15 januari 2026 schriftelijk gereageerd op het aanvullende bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 20 januari 2026 het bezwaar nogmaals aangevuld.
- Op 21 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 26 januari 2026 en 6 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 9 februari 2026 en 16 februari 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie stelt vast dat UHT in de aanvullende beschouwing van 15 januari 2026 alsnog het standpunt inneemt dat toeslagjaren 2008 en 2010 voor compensatie wegens vooringenomenheid in aanmerking komen zodat het bestreden besluit zal worden herroepen. Gelet hierop ziet de Commissie zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor toeslagjaar 2006 op de juiste wijze heeft berekend, terecht en op goede gronden compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2007 en 2009 heeft afgewezen en de O/GS tegemoetkoming juist is berekend.
Toeslagjaar 2006
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van vooringenomen handelen door Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) en dat recht bestaat op compensatie. Echter stelt gemachtigde dat de startdatum van de vooringenomen handeling onjuist is. De startdatum is gekoppeld aan de nihilstelling en door UHT gesteld op 26 mei 2008. Gemachtigde stelt dat de startdatum van de vooringenomen handeling eerder is, namelijk 18 september 2006, de datum van de eerste neerwaartse correctie. In het informatie- en beoordelingsformulier is namelijk aangegeven dat de reden van de verlaging onduidelijk is en gemachtigde voert aan dat een deugdelijke motivering ontbreekt op dit punt. Nu onduidelijk is waarom de verlaging heeft plaatsgevonden is sprake van een vooringenomen handeling.
UHT stelt dat onzekerheid over de reden waarom de KOT is verlaagd, onvoldoende is om aan te nemen dat de verlaging is gelegen in een handeling waaruit blijkt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T. In het dossier zijn geen indicaties die erop wijzen dat sprake is van een vooringenomen handeling. De KOT is in toeslagjaar 2006 verlaagd naar aanleiding van een stopzetting per 14 augustus 2006. Ondanks dat belanghebbende niet meer kan herinneren of zij deze stopzetting heeft doorgegeven is het aannemelijk dat het een door of namens belanghebbende doorgegeven stopzetting betreft.
De Commissie stelt vast dat UHT geen stukken heeft overgelegd die de verlaging van de KOT kunnen onderbouwen. Het door UHT vermelde vermoeden in de integrale beoordeling – een wijziging in de hoogte van de gemeentelijke bijdrage- vindt geen steun in gegevens daarover. Ook andere stukken in het dossier geven geen verklaring of aanwijzing voor deze verlaging. Er ontbreekt een deugdelijke motivering waaruit blijkt waarom deze verlaging heeft plaatsgevonden. Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt of zijn er aanknopingspunten dat belanghebbende de KOT heeft stopgezet. Naar het oordeel van de Commissie is daarom sprake van een onzorgvuldige en ongemotiveerde verlaging die daarmee is te kwalificeren als vooringenomen handeling door B/T. Dit betekent dat de startdatum van de vooringenomen handeling dient te worden vastgesteld op 18 september 2006.
De Commissie adviseert het bezwaar gegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2007
Gemachtigde stelt dat de eerdere vooringenomen handeling over toeslagjaar 2006 heeft doorgewerkt naar toeslagjaar 2007. Er heeft namelijk maar voor één kind een automatische continuering van de KOT plaatsgevonden, terwijl belanghebbende zelf geen stopzetting van de KOT heeft doorgegeven. Bovendien is het bezwaar tegen deze stopzetting gegrond verklaard en is ook voor het tweede kind KOT toegekend. Eén en ander maakt dat sprake is vooringenomen handelen.
UHT stelt dat de reden dat de nihilstelling voor toeslagjaar 2006, gelegen is in het feit dat belanghebbende onvoldoende de mogelijkheid heeft gehad om haar recht op KOT aan te tonen. De aanpassingen in de KOT over het jaar 2007 zijn het gevolg van wijzigingen in de aanvraag van de KOT over dat jaar. Dit staat daarom los van de stopzetting van de KOT voor één van de kinderen in 2006 en de continuering naar toeslagjaar 2007. Er is voor 2007 daarom geen sprake van vooringenomen handelen door B/T.
De Commissie ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat sprake is van vooringenomen handelen. Zij stelt aan de hand van de beschikbare stukken vast dat de KOT voor één van de kinderen niet automatisch is gecontinueerd naar toeslagjaar 2007. De KOT is bij voorschotbeschikking vastgesteld op €2.820 (automatische continuatie voor één kind). Nadien heeft belanghebbende middels een antwoordformulier d.d. 11 februari 2009 (productie 1207001, pagina 404) aangegeven dat voor beide kinderen in 2007 geen kinderopvang is genoten (op het formulier is ingevuld: nul uren en geen kosten). Hierop is de KOT over 2007 bij beschikking van 7 oktober 2009 op nihil gesteld (productie 1207003). Het bezwaar van de ouder tegen die beschikking is gegrond verklaard. De KOT is vervolgens vastgesteld op € 898 (productie 1207006).
Uit het ouderdossier blijkt niet dat de automatische continuatie van de KOT, hoewel gebaseerd op de gegevens van één kind, tot problemen bij de toekenning of uitbetaling van de KOT heeft geleid. De KOT over 2007 is regulier (productie 2700007) uitbetaald aan de KOI. In de definitieve beschikking, na gegrondverklaring van het bezwaar, is de KOT vastgesteld op een bedrag van €898. Die vaststelling is in lijn met de door belanghebbende in haar bezwaarschrift aangeleverde gegevens en gebaseerd op de bij het bezwaar ingediende jaaropgaaf. Daaruit blijkt dat de kosten voor de kinderopvang in 2007 in totaal €1.129,15 bedroegen. Er is geen sprake van volledige stopzetting van de KOT. De Commissie ziet bovendien geen aanwijzingen dat belanghebbende werd belemmerd om een wijzigingsverzoek in te dienen. Voor de volledigheid merkt de Commissie op dat zij evenmin verband ziet met de boven besproken vooringenomen verlaging in 2006.
De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2009
Belanghebbende betoogt dat UHT ten onrechte geen compensatie heeft toegekend wegens hardheid voor het toeslagjaar 2009. Er is KOT uitbetaald aan [naam kinderopvang] terwijl belanghebbende geen kinderopvang heeft afgenomen bij deze organisatie. Ook heeft zij geen geld ontvangen van de kinderopvang.
UHT stelt in de aanvullende beschouwing van 26 januari 2026 dat een bedrag van €2.718,- is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling (productie 1000004).
De daadwerkelijke opvangkosten bedroegen €5.215,- (productie 1209006).
De daadwerkelijke opvangkosten zijn daarmee hoger dan de uitbetaalde KOT.
Er is daarom geen recht op compensatie op grond van de hardheidsregeling.
De Commissie overweegt op dit punt als volgt. Uit het overzicht (uit)betalingen en/of verrekeningen voor het jaar 2009 (productie 1000004) volgt dat een bedrag van €2.718 is uitbetaald aan [naam kinderopvang]. Echter, de door belanghebbende ingestuurde jaaropgave geeft aan dat kinderopvang is afgenomen via gastouderbureau [naam] voor een bedrag van €5.215,- voor het gehele jaar 2009 (productie 1209006, pagina 519 ouderdossier). Uit het ouderdossier volgt niet dat belanghebbende kinderopvang heeft afgenomen bij [naam kinderopvang] in toeslagjaar 2009. Het door B/T betaalde bedrag aan [naam kinderopvang] is dus niet ten goede gekomen aan door belanghebbende ontvangen opvang, omdat de KOT aan de verkeerde instelling is uitbetaald waarbij geen opvang werd genoten. In het dossier zijn verder geen aanwijzingen dat dit bedrag aan belanghebbende ten goede is gekomen.
De Commissie, is op grond van het vorenstaande van opvatting dat in dit geval aanspraak bestaat op compensatie wegens hardheid van het stelsel. Het tot een bedrag van € 2.718,- teveel aan [naam kinderopvang], waar geen opvang heeft plaatsgevonden, betaalde is niet aan belanghebbende ten goede gekomen.
De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2008 en 2010
UHT heeft in de bestreden beschikking geconcludeerd dat voor de jaren 2008 en 2010 sprake is van evident geen recht, omdat belanghebbende niet behoorde tot een doelgroep. In de aanvullende beschouwing van 15 januari 2025 stelt UHT zich op het standpunt dat geen sprake is van evident geen recht, omdat het vrijwilligerswerk dat belanghebbende deed onderdeel was van een re-integratietraject. Daardoor is sprake van recht op compensatie op basis van vooringenomen handelen voor de toeslagjaren 2008 en 2010.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten om op dit punt anders te adviseren.
O/GS stukken
In reactie op het verzoek van belanghebbende heeft UHT gesteld dat in dit geval geen sprake is van een O/GS-kwalificatie voor andere jaren dan 2006 en dat het aan gemachtigde is om een onderbouwd informatieverzoek te doen. Belanghebbende stelt dat het onjuist is dat zij niet gehouden is om een nadere onderbouwing van haar verzoek te geven.
De Commissie stelt vast dat voor een aantal jaren al compensatie is toegekend. Op grond van artikel 2.6, vierde lid van de Wht is tegemoetkoming O/GS dan niet aan de orde. Dat laat onverlet dat de Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026,
36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie.
Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank
Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van het bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GSkwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
Compensatieberekening
UHT heeft in de beschouwing erkend dat de compensatieberekening over het jaar 2006 onjuist is vastgesteld en heeft in de bijlage Compensatieberekening een nadere toelichting opgenomen. Daarbij is onder meer gebleken dat de start- en einddatum van component H (rente over niet‑ gekregen kinderopvangtoeslag) onjuist zijn bepaald. In de compensatieberekening is de startdatum ten onrechte vastgesteld op 1 juli 2008 in plaats van 1 juli 2006, terwijl de einddatum dient te worden vastgesteld op 16 december 2024. Ook de einddatum van component J (vergoeding immateriële schade) is onjuist vastgesteld. Deze correctie heeft geen invloed in op de hoogte van component J.
Ten aanzien van component H overweegt de Commissie dat de startdatum dient te worden vastgesteld op 1 juli van het opvolgende toeslagjaar. Aangezien de compensatie betrekking heeft op toeslagjaar 2006, moet de startdatum derhalve worden bepaald op 1 juli 2007. Uit de aanvullende beschouwing van UHT volgt dat een aanpassing van component H, ook bij een aanpassing naar 1 juli 2007, in het nadeel van belanghebbende zou uitpakken. UHT heeft daarom het voornemen component H niet te wijzigen. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal UHT dienovereenkomstig adviseren.
Volledigheidshalve merkt de Commissie op dat, gelet op de beoordelingen in dit advies, ook voor toeslagjaren 2008, 2009 en 2010 nog compensatieberekeningen moeten worden gemaakt voorafgaand aan de beslissing op bezwaar, die aan belanghebbende moeten worden kenbaar gemaakt zodat daarop nog gereageerd kan worden voor het nemen van de beslissing op bezwaar
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar het oordeel van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- de startdatum van de vooringenomen handeling over toeslagjaar 2006 vast te stellen op 18 september 2006;
- compensatie toe te kennen voor toeslagjaren 2008 en 2010 op grond van vooringenomenheid en voor toeslagjaar 2009 op grond van de hardheidsregeling en belanghebbende voorafgaande aan de beslissing op bezwaar inzage te geven in de compensatieberekeningen met gelegenheid tot reactie;
- belanghebbende inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter