Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15964

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 22 juli 2021 (UHT-DC I)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 14 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 22 juli 2021 (hierna: de bestreden beschikking).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 44.723 voor de jaren 2015 tot en met 2017 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2018.

Op 5 november 2022 is de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 2 juni 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015 tot en met 2018. UHT heeft de herbeoordeling uitgebreid naar de jaren 2005 tot en met 2014 en 2019.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 14 april 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende het jaar 2018 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van € 44.723 voor de jaren 2015 tot en met 2017. UHT heeft geen compensatie toegekend voor het jaar 2018.
  • De toenmalige gemachtigde van belanghebbende, heeft bij brief van 16 januari 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 23 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Huidig gemachtigde heeft bij brief van 20 januari 2026 het bezwaar aangevuld.
  • Op 2 februari 2026 heeft gemachtigde per e-mail aan de Commissie laten weten dat belanghebbende afziet van een hoorzitting en dat advisering in deze zaak mag plaatsvinden ‘op stukken’.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 17 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 1 april 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor  de jaren 2015 tot en 2017 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belang-hebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2018 af te wijzen.

Belang van hoor en wederhoor
De Commissie constateert dat de belanghebbende blijkens het betoog op de eerste bladzijden van de aanvullende reactie van de gemachtigde over het nut en het belang van een hoorzitting, een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de Commissie. Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke discussie over het verschil van opvatting. De Commissie volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de Commissie, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, in het Jaarverslag 2025 van de Commissie.

Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet.De schriftelijke reactie (‘beschouwing’) en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht.
Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Equality of arms
Volgens belanghebbende is geen sprake van 'equality of arms' in de zin van artikel 6 EVRM, omdat zij niet over het volledige dossier beschikt en UHT wel. Belanghebbende zou daarom in haar procesbelang zijn geschaad. De Commissie merkt op dat zij een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie is in de zin van artikel 7:13 van de Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen zoals neergelegd in de Awb. Op grond van artikel 7:4 lid 2 van de Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Zoals hiervoor overwogen, zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken in de vorm van een bezwaardossier aan de gemachtigde verstrekt. De bezwaarprocedure is door de Commissie beoordeeld en er heeft een nadere schriftelijke ronde plaatsgevonden, waarbij zowel UHT als gemachtigde een nadere schriftelijke reactie hebben ingediend. De Commissie is van oordeel dat de partijen daarmee in deze procedure een gelijkwaardige behandeling hebben gekregen. Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.

Tijdlijn en motivering
Belanghebbende voert aan dat de tijdlijn bij de integrale beoordeling zeer summier is, waardoor het niet goed mogelijk is om te achterhalen wat er precies is gebeurd in de beoordeelde jaren. De Commissie overweegt dat UHT de gebeurtenissen voor de toeslagjaren in de beschouwing van 23 april 2025 nader heeft toegelicht en deze toelichting heeft aangevuld in de aanvullende beschouwing van
16 februari 2026. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende hiermee volledig is geïnformeerd over hetgeen heeft plaatsgevonden in de betreffende toeslagjaren. Gebreken in de tijdlijn bij de integrale beoordeling zijn hiermee hersteld. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

FSV
Belanghebbende verzoekt om een FSV-onderzoek en om het Dagboek FSV toe te zenden. De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende voorkomt op de FSV-lijst (Fraude Signalering Voorziening, kortweg FSV). UHT heeft in de beschouwing van 16 februari 2026 nader toegelicht waarom belanghebbende voorkwam op de FSV-lijst. Indien UHT nog verder informatie beschikbaar heeft over de opname op de FSV-lijst, adviseert de Commissie UHT deze informatie aan belanghebbende te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.

Opzet of grove schuld (O/GS)
Belanghebbende verzoekt om verstrekking van alle O/GS-stukken. De Commissie stelt vast dat zich in het dossier een stuk bevindt met als conclusie dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van O/GS. De onderliggende stukken waaruit blijkt hoe deze vaststelling tot stand is gekomen, ontbreken. De informatie op grond waarvan de Belastingdienst/Toeslagen (de B/T) heeft vastgesteld of belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie, maakt onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De B/T moet daarbij toelichten welke gegevensbronnen zijn geraadpleegd. Als de beoordeling van de B/T (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over de belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, moet de B/T deze vaststelling onderbouwen door bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Naar het oordeel van de Commissie kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld hoe de conclusie is getrokken dat geen sprake is van een O/GS. De B/T heeft onvoldoende toegelicht in welke systemen is gezocht en welke resultaten daarin zijn aangetroffen. Nu deze stukken in het dossier ontbreken, kan de Commissie niet vaststellen dat de B/T de benodigde kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard en berust de bestreden beschikking in zoverre niet op een deugdelijke motivering. De Commissie verwijst hierbij mede naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545, en de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Kamerstukken II 2025/2026, 36 708, nr. 68). In zoverre slaagt de bezwaargrond. De Commissie adviseert UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van het bovenstaande, aan belanghebbende inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GSkwalificatie en om haar desgewenst de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan de beslissing op bezwaar.

Discriminatie
Belanghebbende stelt dat het op de weg van UHT ligt om het punt van discriminatie te onderzoeken. Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, is de Commissie uit het dossier en uit de schriftelijke beschouwing van UHT niet gebleken. Deze bezwaargrond slaagt daarom niet. 

Toeslagjaar 2018
UHT heeft geoordeeld dat er recht is op compensatie vanwege vooringenomen handelen voor de maanden januari en februari 2018. Voor de overige maanden is er volgens UHT evident geen recht op KOT. Belanghebbende stelt dat de facturen door de kinderopvanginstelling (KOI) zijn verzonden op 4 februari 2018 en vindt het logisch dat er geen facturen in het overzicht zijn opgenomen die nog niet zijn uitgebracht. De Commissie constateert dat de KOI bij een e-mail van 7 mei 2018 een overzicht met nog openstaande facturen aan de B/T heeft doen toekomen, zowel voor het toeslagjaar 2017 als voor het toeslagjaar 2018. De KOI vermeldt in dezelfde e-mail dat zij de kinderopvang om deze reden heeft beëindigd per
4 februari 2018. Hoewel belanghebbende terecht betoogt dat het enkele feit dat de KOI een opvangovereenkomst opzegt, nog niet betekent dat dit juist is, heeft de Commissie geen aanknopingspunten in het dossier kunnen vinden om te kunnen vaststellen dat er wel degelijk kinderopvang is geweest na februari 2018 of dat belanghebbende de opvangkosten heeft betaald.

Belanghebbende voert aan dat zij haar studie rond maart 2018 moest stopzetten en vraagt zich af waarom er geen rekening is gehouden met een uitlooptermijn van drie maanden. De Commissie overweegt dat de uitlooptermijn niet ter zake doet, nu het niet aannemelijk is dat er in die maanden kinderopvang was. De Commissie benadrukt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden die zijn vermeld op de website schadeherstel.toeslagen.nl.

Voor het toeslagjaar 2018 is geen definitieve beschikking afgegeven. De Commissie acht het niet aannemelijk dat de B/T in de definitieve beschikking tot een ander bedrag zou zijn gekomen dan in de voorlopige beschikking. De B/T had immers vastgesteld dat de opvangkosten niet waren betaald, waardoor er geen recht bestond op KOT. De

Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel deels gegrond te verklaren, in de lijn van wat UHT zelf heeft opmerkt in de beschouwing. 

Compensatieberekening
De Commissie constateert dat UHT de compensatieberekening voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2017 opnieuw heeft uitgevoerd in de beschouwing van 23 april 2025. Uitkomst hiervan is dat de compensatieberekening op verschillende onderdelen zal worden aangepast. Hierdoor zullen de onderdelen n en p opnieuw moeten worden berekend in de beslissing op bezwaar. De Commissie acht de berekening en de toelichting van UHT daarop navolgbaar en begrijpelijk. De Commissie wijst wel op een kennelijke verschrijving in de compensatieberekening bij toeslagjaar 2016, onderdeel h.

Hier staat namelijk een bedrag van € 16.488 in plaats van het juiste bedrag van
€ 4.122. De Commissie adviseert UHT om dit aan te passen.

Belanghebbende verzoekt om een nadere toelichting over de totstandkoming van de juridische kosten. UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 16 februari 2026 een specificatie gegeven over de totstandkoming van de juridische kosten in de compensatieberekening. Naar het oordeel van de Commissie vindt deze berekening steun in het dossier. Belanghebbende merkt in haar bezwaarschrift daarnaast terecht op dat de compensatieberekening voor het jaar 2018 nog ontbreekt. UHT heeft de compensatieberekening voor toeslagjaar 2018 voor zover mogelijk nader toegelicht in de aanvullende beschouwing van 16 februari 2026.
De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en in haar beslissing op bezwaar de bedragen aan te passen overeenkomstig hetgeen zij daarover opmerkt in haar beschouwingen.

Verrekeningen
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die aan de KOT is gegeven. Deze bezwaarprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar.
Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door de B/T, overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.

Juiste bedrag aan KOT
Belanghebbende verzoekt om van alle KOT-jaren een berekening van de KOT op te stellen, zodat zij kan toetsen of het juiste bedrag aan KOT aan haar is toegekend. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-besluiten. Belanghebbende verzoekt om een berekening van de KOT voor alle jaren waarin er KOT is afgegeven. Een beoordeling daarvan valt echter buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren niet. Een selectie in jaren op basis van verlagingen of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de memorie van toelichting op het voorstel van wet is dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Kamerstukken II 2021/2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als de B/T eenmaal vooringenomen heeft gehandeld of als er bijzondere omstandigheden in het spel zijn, acht de Commissie daarom in haar algemeenheid onjuist. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat de B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de KOI-viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat de B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie in de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit aannemelijk wordt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Registratie KOI
Belanghebbende heeft gesteld dat gebreken in de registratie van een KOI belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen. Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende geen aanknopingspunten zijn voor de juistheid van de stelling dat sprake was van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Overige gronden
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskosten
Nu de bestreden beschikking naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (bezwaarschrift) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar deels gegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen in de zojuist vermelde zin.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter