BAC 2025-16847
Publicatiedatum 02-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 6 januari 2025 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 28 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 14 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 6 januari 2025 (bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 tot en met 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 22 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2012.
- UHT heeft bij besluit van 16 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- Gemachtigde heeft op 20 november 2024 zijn zienswijze gegeven op de voorlopige beoordeling door UHT.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 december 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 januari 2025 tegen dit bestreden besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 4 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 en 26 januari 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 28 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 29 januari 2026 een aanvullende schriftelijke reactie ingediend.
- Gemachtigde heeft, eveneens daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 29 januari 2026 gereageerd op de aanvullende schriftelijke reactie van UHT.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Gelet op de aangevoerde bezwaargronden ziet de Commissie zich gesteld voor de vraag of UHT op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2010, 2011 en 2012 af te wijzen.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende stelt niet het volledige dossier te hebben ontvangen.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De beschouwing en de stukken die daaraan en aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden.
De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 van de Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het ouderdossier onvolledig is. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2010, 2011 en 2012
2010
Gemachtigde stelt dat de verlaging van de KOT van € 7.199,- naar € 6.711,- is gebaseerd op gegevens uit de KOI-viewer. Belanghebbende is niet in de gelegenheid gesteld om opvang aan te tonen. Hierdoor is sprake van vooringenomen handelen. De Commissie stelt vast dat in de KOI-viewer is uitgegaan van 114 opvanguren per maand over het gehele jaar (producties 1210007 en 1210008). In de voor het jaar 2010 gecontinueerde KOT-aanvraag werd uitgegaan van 129 uren per maand. Op 12 januari 2010 heeft belanghebbende een wijziging in de aanvraag doorgegeven waarbij de uren met ingang van 16 januari 2010 werden verlaagd naar 86 uren per maand (productie 1210002). Op 13 april 2010 heeft belanghebbende de uren in haar aanvraag met ingang van 16 maart 2010 weer verhoogd naar 129 uren per maand (productie 1210004). Over het hele jaar gezien komt dat neer op een gemiddelde van ongeveer 122 uren per maand. UHT heeft tijdens de hoorzitting gesteld dat een relatief kleine wijziging in de KOT, die redelijk overeenkomt met de KOI-viewer, geen reden is om uitvraag te doen. De Commissie volgt dit en is van opvatting dat het verschil tussen de door belanghebbende gedurende het jaar doorgegeven opvanguren en de uren uit de KOIviewer dusdanig minimaal is dat voor Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) geen aanleiding bestond om uitvraag te doen aan belanghebbende teneinde de gegevens uit de KOI-viewer te verifiëren. B/T mocht daarom uitgaan van de informatie uit de KOIviewer.
De Commissie heeft verder geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat over toeslagjaar 2010 sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
2011
Belanghebbende stelt dat zij ten aanzien van toeslagjaar 2011 in aanmerking komt voor een compensatieregeling, omdat de KOT op 10 mei 2011 met ingang van 16 juli 2011 onterecht is stopgezet. Belanghebbende heeft de KOT niet zelf stopgezet. Daarnaast werkte zij in de vakanties bij. Belanghebbende had daarom geen reden om de KOT stop te zetten.
De Commissie constateert dat uit het XML-bestand blijkt dat de KOT op 10 mei 2011 per 16 juli 2011 door of namens belanghebbende is stopgezet (productie 1211002). B/T mocht uitgaan van die melding die door of namens belanghebbende is gedaan om de KOT stop te zetten. Dat zij betwist dat zij de stopzetting zelf heeft doorgegeven is onvoldoende om te oordelen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld door van de ingekomen stopzetting door of namens belanghebbende uit te gaan. UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 29 januari 2026 inzichtelijk uiteengezet wat de gebruikelijke gang van zaken was bij het doorgeven van wijzigingen en heeft voldoende overtuigend aannemelijk gemaakt hoe het doorgeven van wijzigingen zal hebben plaatsgevonden met eventuele hulp van dienstverleners van B/T zoals dat toen mogelijk was en ook door belanghebbende is genoemd. De Commissie ziet in die gang van zaken geen aanknopingspunten voor vooringenomenheid. Daarnaast merkt de Commissie op dat de toegekende opvanguren overeenkomen met de opvanguren uit de KOI-viewer. Uit de KOI-viewer blijkt dat de opvanguren in overeenstemming zijn met de periode waarin geen opvang was afgenomen, namelijk tussen de stopzetting per 16 juli 2011 en de nieuwe KOT-aanvraag per
16 augustus 2011 (productie 1211003). Ook is blijkens de KOI-viewer (producties 1211007 en 1211008) sprake van opvang voor de periode 1 januari 2011 tot en met 15 juli 2011 en vervolgens vanaf 16 augustus 2011 tot en met 31 december 2011.
De Commissie meent daarom dat over toeslagjaar 2011 geen indicatie is van vooringenomen handelen door B/T. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
2012
Belanghebbende voert aan dat de KOT onterecht door een medewerker van B/T is stopgezet op 25 oktober 2012 met ingang van 30 augustus 2012. Zij werkte het gehele jaar en studeerde waardoor kinderopvang noodzakelijk was.
De Commissie is van oordeel dat de TVS-melding van de stopzetting op 25 oktober 2012 leidend is en niet de KOI-viewer waaruit blijkt dat de opvang tot en met
30 september 2012 liep (producties 1212008 en 1212009).
In deze omstandigheden mocht UHT, bij gebrek aan duidelijk in een andere richting wijzende gegevens, de wijziging zoals die door belanghebbende op 25 oktober 2012 is gedaan en die melding maakt van een stopzetting van de KOT met ingang van 30 augustus 2012, voor juist houden. De Commissie heeft geen aanknopings-punten gevonden voor de conclusie dat over toeslagjaar 2012 sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Tot slot
De Commissie heeft oog voor de gevolgen van de aanpak van B/T destijds jegens belanghebbende. Belanghebbende heeft duidelijk naar voren gebracht dat deze handelswijze ertoe heeft geleid dat zij, als jonge moeder, zich niet serieus genomen voelde. Ook heeft belanghebbende goed onder woorden gebracht dat zij het gevoel had dat zij als profiteur werd gezien en dat de door haar doorgegeven opvanguren als fraude zou worden bestempeld. Dit heeft geleid tot angst voor B/T waardoor belanghebbende aanvankelijk heeft afgezien om bezwaar te maken, omdat zij ervan uitging dat een procedure weinig kans van slagen zou hebben.
Het is duidelijk dat hierdoor stress en emotioneel leed teweeg zijn gebracht.
Het is begrijpelijk dat deze omstandigheden, ook in reguliere situaties, tot financiële problemen kunnen leiden. De Commissie erkent het gevoel dat belanghebbende heeft gehad, dat ook door B/T niet wordt betwist. Zoals uiteengezet kan dit echter gelet op de hiervoor weergegeven beoordeling, niet leiden tot een aanspraak op compensatie of een vergoeding in deze procedure. Desondanks hoopt de Commissie dat deze erkenning belanghebbende helpt om dit hoofdstuk af te sluiten.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het bestreden besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter