BAC 2023-12341
Publicatiedatum 08-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 27 januari 2023 (UHT-DCH)
19 augustus 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 8 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 1 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren, de bestreden besluiten te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DCH en UHT-DCHO.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van € 10.866 over de maanden januari, februari en april tot en met december van het jaar 2007 en een tegemoetkoming van € 3.022 voor opzet/grove schuld toegekend over de jaren 2009, 2013, 2014 en 2015. Over de maand maart van het toeslagjaar 2007 en het gehele toeslagjaar 2012 is aan belanghebbende geen compensatie of tegemoetkoming voor opzet/grove schuld toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 17 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2014. In overleg met belanghebbende is de herbeoordeling later uitgebreid met de jaren 2007, 2009 en 2015.
- UHT heeft bij besluit van 17 maart 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling en dat de Integrale Beoordeling in gang wordt gezet.
- UHT heeft bij bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 10.866 met betrekking tot de maanden januari, februari en april tot en met december 2007.
- Gemachtigde heeft op 22 februari 2023, ingekomen op 24 februari 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft op 11 oktober 2023, ingekomen op 16 oktober 2023, het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een tegemoetkoming voor O/GS toegekend van € 3.022 met betrekking tot de toeslagjaren 2009, 2013, 2014 en 2015.
- Gemachtigde heeft op 19 augustus 2024 ook tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft op 3 december 2024 het bezwaar schriftelijk aangevuld.
- UHT heeft op 7 juli 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaren.
- Gemachtigde heeft op 18 december 2025 het bezwaarschrift met kenmerk UHTDCHO schriftelijk aangevuld.
- Op 8 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 3 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op
10 februari 2026 op gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden tot het besluit is gekomen om belanghebbende over de maand maart van het toeslagjaar 2007 en de toeslagjaren 2009, 2012, 2013, 2014 en 2015 niet te compenseren. Tevens ziet de Commissie zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie over het restant van het toeslagjaar 2007 en de tegemoetkoming voor onterechte O/GS over de toeslagjaren 2009,2013, 2014 en 2015 juist heeft berekend.
Motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de bestreden besluiten onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen en onvoldoende zijn gemotiveerd. De Commissie overweegt hierover als volgt. Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden besluiten leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Volledigheid dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn op 29 oktober 2025 aan belanghebbende toegezonden.
De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht.
Dat is hier niet gebeurd. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2007
UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing van 7 juli 2025 opgemerkt dat in het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO ten onrechte staat vermeld dat over de periode maart tot en met december van het toeslagjaar 2007 geen recht bestaat op compensatie. UHT neemt het standpunt in dat uitsluitend over de maand maart van het toeslagjaar 2007 geen recht bestaat op compensatie. Belanghebbende is ook als zodanig gecompenseerd over het toeslagjaar 2007.
De Commissie overweegt het volgende. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in maart van het toeslagjaar 2007, nu belanghebbende over de desbetreffende periode geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt overigens niet bestreden. Volgens het beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie overweegt dat niet is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt over de periode maart van het toeslagjaar 2007 niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om het bestreden besluit op dit onderdeel in stand te laten.
Toeslagjaar 2009
De Commissie overweegt ten aanzien van het toeslagjaar 2009 het volgende.
De neerwaartse wijziging over dit toeslagjaar was gelegen in een verhoogd toetsingsinkomen. De Commissie overweegt dat sprake is van een reguliere wijziging. De neerwaartse wijziging was het gevolg van een te hoog voorschot dat conform de wet is bijgesteld. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2012
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij over het toeslagjaar 2012 ten onrechte niet is gecompenseerd. Belanghebbende stelt dat uit het dossier blijkt dat haar op 29 april 2013 is gevraagd om bewijsstukken aan te leveren over de kinderopvang vanaf november 2012. Belanghebbende betoogt dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vervolgens uit eigen beweging en zonder verdere uitvraag is overgegaan tot aanpassing van de KOT met ingang van januari 2012. Belanghebbende stelt dat daarom sprake is van vooringenomen handelen.
UHT stelt zich op het standpunt dat belanghebbende op 29 april 2013 inderdaad specifiek is verzocht om bewijsstukken aan te leveren over de periode vanaf november 2012. UHT stelt zich op het standpunt dat de KOT over het toeslagjaar 2012 neerwaarts is gewijzigd in verband met door de kinderopvanginstelling en door belanghebbende zelf doorgegeven informatie waaruit bleek dat sprake was van afname van minder uren aan geregistreerde kinderopvang. UHT stelt dat sprake is van reguliere wijzigingen en dat daarom geen sprake is van recht op compensatie over het toeslagjaar 2012.
De Commissie overweegt ten aanzien van het toeslagjaar 2012 dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correcties over dit toeslagjaar waren gelegen in door de kinderopvanginstelling verstrekte informatie en belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen ten aanzien van de opvanguren. Deze informatie en wijzigingen hadden ook betrekking op de maanden vóór november. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen, te meer omdat - bij gebrek aan in andere richting wijzende gegevens - geen reden voor B/T bestond om aan de KOI-viewergegevens te twijfelen. Verder is naar het oordeel van de Commissie ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook geen aanspraak kan worden gemaakt op een tegemoetkoming op grond van O/GS. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overigens zij opgemerkt dat in de onderhavige bezwaarprocedure uitsluitend wordt getoetst of belanghebbende recht heeft op compensatie op basis van de Wht. De procedure ziet niet op eventuele overige omissies bij de vaststelling van KOT in het verleden. Indien belanghebbende twijfels had over de juistheid van het toetsingsinkomen, waarop de KOT is berekend, dan stonden destijds reguliere rechtsmiddelen voor haar open, waar zij blijkens de voorhanden zijnde stukken ook gebruik van heeft gemaakt.
Toeslagjaar 2013
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd over de eerste vier maanden van het toeslagjaar 2013. Belanghebbende betoogt dat ten aanzien van deze periode sprake is van vooringenomen handelen door B/T. UHT heeft zich in haar schriftelijke beschouwing van 7 juli 2025 op het standpunt gesteld dat B/T inderdaad vooringenomen heeft gehandeld en dat belanghebbende alsnog zal worden gecompenseerd over de periode januari tot en met april 2013. De Commissie adviseert dienovereenkomstig en adviseert UHT - voorafgaand aan het nemen van de beslissing op bezwaar – belanghebbende in de gelegenheid te stellen tot het geven van haar zienswijze op het voorlopig berekende compensatiebedrag over het toeslagjaar 2013.
Belanghebbende heeft in het kader van hardheid van het stelsel nog betoogd dat belanghebbende over de overige maanden van het toeslagjaar 2013 in aanmerking komt voor compensatie vanwege hardheid op de basis van door B/T ontstane ‘dubbele lasten’. De Commissie komt daar hieronder op terug.
Toeslagjaren 2014 en 2015
De Commissie overweegt ten aanzien van de toeslagjaren 2014 en 2015 dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T. De neerwaartse correcties over deze toeslagjaren waren gelegen in door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen ten aanzien van de opvanguren alsmede in stopzettingen door belanghebbende zelf. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Ten aanzien van de neerwaartse wijziging van
21 oktober 2014 zij nog opgemerkt dat deze blijkens de voorhanden zijnde stukken aanvankelijk op basis van verkeerde gegevens is doorgevoerd, maar dat B/T dit later heeft hersteld, zodat belanghebbende uiteindelijk de KOT heeft gekregen waar zij recht op had.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
De Commissie komt hieronder op terug in het kader van de door belanghebbende aangevoerde ‘dubbele lasten’. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Dubbele betalingen over de periode april 2013 tot en met december 2014.
Belanghebbende heeft in het kader van hardheid betoogd dat over de periode april 2013 tot en met december 2014 sprake is van niet door belanghebbende gevraagde dubbele betalingen en dat B/T ten onrechte is overgegaan tot het uitbetalen van KOT voor zowel de kinderopvanginstelling [naam] als voor de kinderopvanginstelling [naam]. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de terugvorderingen die betrekking hebben op de foute, dubbele toekenning van KOT het gevolg zijn van een situatie die volledig is veroorzaakt door B/T. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij herhaaldelijk de fout heeft geprobeerd te laten herstellen en dat B/T pas veel later de fout heeft gecorrigeerd. Volgens belanghebbende is daarom sprake van recht op compensatie vanwege hardheid van het stelsel over de periode april 2013 tot en met december 2014.
De Commissie overweegt hierover als volgt. Uit de voorhanden zijnde stukken volgt dat B/T inderdaad gedurende langere tijd is overgegaan tot het dubbel uitbetalen van KOT en dat belanghebbende dit zelf meermaals heeft geprobeerd te laten herstellen. De Commissie stelt voorop dat het erg slordig is dat B/T de dubbele betalingen als gevolg van een fout bij B/T zo lang heeft laten doorgaan. Dat brengt een belanghebbende in een lastige, kwetsbare positie. De Commissie kan zich dan ook goed voorstellen dat deze gang van zaken voor belanghebbende tot spanningen heeft geleid. De Commissie ziet echter onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie, dat bij het terugvorderen van de teveel betaalde KOT sprake is van hardheid van het stelsel, zoals gedefinieerd in de Wht. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Hoogte tegemoetkoming voor onterechte O/GS
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de hoogte van de tegemoetkoming voor onterechte O/GS over de toeslagjaren 2009, 2013, 2014 en 2015 te laag is vastgesteld.
UHT heeft in haar aanvullende schriftelijke beschouwing van 3 februari 2026 gesteld dat de tegemoetkoming voor onterechte O/GS over de toeslagjaren 2009, 2013, 2014 en 2015 inderdaad verkeerd is berekend. De Commissie adviseert UHT om de tegemoetkoming voor O/GS te corrigeren in de beslissing op bezwaar.
De hoogte van de compensatieberekening
Belanghebbende betwist de juistheid van de berekening van de hoogte van het bedrag aan compensatie over het toeslagjaar 2007. UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing van 7 juli 2025 opgemerkt dat de rentevergoeding over gemiste KOT (component f) verkeerd is berekend. De Commissie adviseert UHT dienovereenkomstig om het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren. Omdat de bestreden besluiten op dit onderdeel zullen worden herroepen, adviseert de Commissie om alle met de rentevergoeding samenhangende componenten eveneens aan te passen. De Commissie merkt hierbij op, dat UHT terecht stelt, dat de vergoeding voor immateriële schade op grond van de Wht niet meer mag bedragen dan het bedrag aan KOT dat een belanghebbende ten onrechte niet heeft ontvangen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren; de bestreden besluiten te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter