Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15392

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 8 juli 2024 (UHT-DCHO)

Overdracht advies aan UHT: 30 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bestreden besluit niet te herroepen en het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatiebedrag van € 70.956 toegekend voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2013. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag voor deze toeslagjaren fouten gemaakt dan wel de regels te streng toegepast. Compensatie voor toeslagjaar 2014 is afgewezen.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 16 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013. Vervolgens is de herbeoordeling uitgebreid naar de toeslagjaren 2005 tot en met 2014.
  • Op 23 mei 2024 heeft de Commissie van Wijzen als advies uitgebracht dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op toeslagjaar 2014.
  • Op 8 februari 2024 heeft UHT als vooraankondiging aan belanghebbende een compensatiebedrag van € 65.510 voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2009 en 2011 tot en met 2013. Compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2014 is afgewezen.
  • Op 12 april 2024 heeft gemachtigde een zienswijze ingediend.
  • Op 8 juli 2024 heeft UHT het definitieve compensatiebedrag voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2013 vastgesteld op € 70.956. Compensatie voor toeslagjaar 2014 is afgewezen.
  • Op 12 augustus 2024 heeft gemachtigde een bezwaarschrift ingediend.
  • Op 4 maart 2025 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
  • Op 15 oktober 2025 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
  • Op 4 november 2025 heeft gemachtigde afgezien van de in eerder overleg geplande hoorzitting op 2 december 2025.
  • Op 6 november 2025 is gemachtigde in gelegenheid gesteld om tot
    27 november 2025 nadere stukken in te dienen. Gemachtigde heeft op
    1 december 2025 aanvullende gronden van bezwaar ingediend. Op 26 januari 2026 heeft UHT hierop gereageerd met een aanvullende schriftelijke beschouwing.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet is geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en compensatie voor toeslagjaar 2014 terecht heeft afgewezen.

Compensatieberekening toeslagjaren 2005 tot en met 2013
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing aangegeven dat de rente gemiste KOT (component o van de compensatieberekening) voor alle toeslagjaren onjuist is vastgesteld. Omdat deze onjuistheden alle uitvallen in het voordeel van belanghebbende, zal UHT de bedragen niet aanpassen. In de bij de schriftelijke beschouwing gevoegde bijlage compensatieberekening, heeft UHT per component de grondslagen van de bedragen toegelicht en eventueel verwezen naar de bijbehorende pagina in het ouderdossier. 

De Commissie overweegt dat de overige bedragen in de compensatieberekening zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had.
De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen en definitieve beschikkingen. De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reacties, de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC-overzichten) en de overige producties, het bestreden besluit en de compensatieberekening voldoende zijn onderbouwd en zorgvuldig tot stand gekomen.

De Commissie overweegt dat de onderhavige procedure alleen betrekking heeft op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard)vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor zijn onder meer de procedure voor de werkelijke schade en de aanvullende schaderoutes bestemd. In een dergelijke procedure kan belanghebbende ook het betoog inbrengen dat belanghebbende zich gediscrimineerd voelt. De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen.
Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht.

Afgewezen toeslagjaar 2014
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt volgens de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.

Met betrekking tot toeslagjaar 2014 is niet in geschil dat B/T vooringenomen heeft gehandeld omdat B/T zonder navraag te doen bij belanghebbende de KOT op 21 mei 2014 op nihil heeft gesteld. UHT stelt echter dat sprake is van een situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Uit het ouderverhaal blijkt dat belanghebbende per september 2013 niet meer voldeed aan het arbeidsvereiste. Als een ouder stopt met arbeid, behoudt deze nog drie maanden aanspraak op KOT, daarna eindigt de aanspraak. Per 1 januari 2014 bestond geen recht meer op KOT en blijft toekenning van compensatie achterwege.

Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het standpunt van UHT met betrekking tot afgewezen toeslagjaar 2014 onjuist te achten. De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.

Jaren 2015 tot en met 2019
Gemachtigde stelt dat belanghebbende vanaf 2015 geen KOT meer durfde aan te vragen, maar dit betekent niet dat er geen behoefte heeft bestaan aan KOT. Voorts blijkt uit het SAS-overzicht dat in de jaren 2018 en 2019 KOT is genoten, maar deze jaren niet zijn meegenomen in de herbeoordeling.

UHT stelt dat belanghebbende voor de jaren 2015 tot en met 2017 niet in aanmerking komt voor compensatie omdat voor deze jaren inderdaad geen KOT is aangevraagd. Met betrekking tot de toeslagjaren 2018 en 2019 stelt UHT in de aanvullende beschouwing de beoordeling van deze jaren mee te nemen in de beslissing op bezwaar.

Nu voor de jaren 2015 tot 2017 geen KOT is aangevraagd, is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het standpunt van UHT onjuist te achten. De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond. Belanghebbende kan wel een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijke schade indienen. Zoals eerder aangegeven heeft de bezwaarschriftprocedure over integrale beoordelingsbesluiten alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voorts adviseert de Commissie UHT om zich te houden aan de toezegging om ook de toeslagjaren 2018 en 2019 te beoordelen in de beslissing op bezwaar.

Artikel 19 Awir
Gemachtigde stelt dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.

FSV-lijst
Met betrekking tot de opname op de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV-lijst) blijkt uit pagina 969 van het ouderdossier dat belanghebbende op FSV-lijst voorkwam. Volgens UHT was dit niet van invloed op de KOT. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. De Commissie, die zelf niet over toereikende bevoegdheden beschikt om hier de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verschaffen, constateert dat UHT in de aanvullende schriftelijke beschouwing het telefoonnummer van het FSV Informatiepunt heeft opgenomen.

Opzet/grove schuld (hierna: O/GS)
Gemachtigde wenst een nadere toelichting op de constatering dat belanghebbende geen O/GS-kwalificatie had. UHT heeft in de aanvullende schriftelijke beschouwing aangegeven dat een O/GS-kwalificatie wordt uitgezocht door de Centrale Administratieve Processen (hierna: CAP) en verwijst naar de website waar de werkinstructie van de CAP met betrekking tot het vaststellen van O/GS is te raadplegen. De Commissie overweegt dat dit geen juiste aanpak is. De Commissie adviseert UHT om in of voorafgaand aan de beslissing op bezwaar uitleg te geven van de manier waarop het onderzoek naar O/GS is gedaan.

Persoonlijk dossier
Gemachtigde stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt niet. De schriftelijke beschouwingen en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bestreden besluit niet te herroepen en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter