Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16257

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 22 december 2022 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 10 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 14 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit van 22 december 2022 met kenmerk UHT-DCHA in stand te laten. De Commissie adviseert voorts om geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit beoordeling kinderopvangtoeslag van 22 december 2022 met kenmerk UHT-DCHA (hierna onder meer: het bestreden besluit).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010, 2011 en 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 19 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2010. Na overleg tussen belanghebbende en UHT zijn de toeslagjaren 2010, 2011 en 2013 beoordeeld.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2010, 2011 en 2013.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2010, 2011 en 2013.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 11 juni 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 1 juli 2025 schriftelijk gereageerd.
  • Bij e-mail van 9 april 2026 heeft gemachtigde de Commissie laten weten dat belanghebbende afziet van het recht om te worden gehoord en heeft verzocht de zaak op stukken af te doen.
  • De Commissie ziet daarom, ingevolge artikel 7:3, onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht, af van het horen van belanghebbende.
  • De Commissie bestaande uit de voorzitter en twee commissieleden heeft het bezwaar behandeld in haar vergadering van 10 april 2026.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Onvolledig dossier, persoonlijk dossier en equality of arms

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of een volledig ouderdossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 21 januari 2026 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaren 2010, 2011 en 2013

De Commissie ziet zich, uitgaande van de gronden van bezwaar en de inhoud van het bestreden besluit, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2010, 2011 en 2013, af te wijzen.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2010

Belanghebbende is het niet eens met de afwijzing van compensatie.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van vooringenomenheid van B/T dan wel van hardheid van het stelsel.

De Commissie stelt vast dat belanghebbende voor het toeslagjaar 2010 op 11 juli 2011 een antwoordformulier aan B/T heeft geretourneerd. Omdat dit antwoordformulier niet volledig was ingevuld, heeft B/T belanghebbende vervolgens bij vraagbrieven van 23 september 2013 en 6 januari 2014 verzocht om aanvullende informatie, waaronder een jaaropgave. Uit het dossier blijkt niet dat belanghebbende op deze uitvraagbrieven heeft gereageerd. Nu een reactie uitbleef, heeft B/T bij voorschotbeschikking van 19 maart 2014 de KOT voor het toeslagjaar 2010 ambtshalve op nihil gesteld. Vervolgens is de KOT bij definitieve beschikking van 1 april 2014 eveneens vastgesteld op nihil. De Commissie is van opvatting dat belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar recht op KOT aannemelijk te maken, voordat B/T tot nihilstelling van de KOT is overgegaan.

Concluderend heeft de Commissie geen aanwijzingen gevonden dat in het toeslagjaar 2010 sprake is geweest van een vooringenomen handelwijze of nalaten door B/T jegens belanghebbende. Evenmin zijn aanwijzingen gevonden voor hardheid als bedoeld in de Wht. Er was ook geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) over dit toeslagjaar, zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie zal daarom UHT adviseren het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2011 en 2013

Belanghebbende is het niet eens met de afwijzing van compensatie.

UHT voert aan dat weliswaar sprake was van vooringenomenheid ten aanzien van de toeslagjaren 2011 en 2013, maar dat sprake is van een situatie waarin evident geen recht op KOT bestond. Volgens UHT was het jongste kind van belanghebbende, geboren in 1996, te oud voor kinderopvang, waardoor geen recht bestond op KOT.

De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht op aanvraag compensatie toekent als aan de toepassingsvereisten als bedoeld in dat artikellid wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht wordt compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan haar toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1, lid 2, van de Wht. De Commissie overweegt dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.

Uit artikel 1.5 van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) volgt dat een ouder alleen aanspraak heeft op KOT als zijn of haar kind geregistreerde kinderopvang geniet. In artikel 1.1, lid 1, van de Wko is “kinderopvang” gedefinieerd als het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint. Dit betekent dat, zodra een kind naar het voortgezet onderwijs gaat, geen aanspraak meer kan bestaan op KOT voor dat kind. De Commissie stelt op grond van het dossier vast dat het jongste kind van belanghebbende waarvoor KOT is aangevraagd is geboren op 19 april 1996. Dit betekent dat dit kind in de toeslagjaren 2011 en 2013 reeds een leeftijd had bereikt waarop geen aanspraak meer kan bestaan op KOT. De Commissie is daarom van opvatting dat UHT zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een situatie waarin evident geen recht op KOT bestond.

Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS over deze toeslagjaren, zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. Belanghebbende komt voor deze toeslagjaren dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT derhalve het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Ontbrekende toeslagjaren

Belanghebbende stelt dat ten onrechte de toeslagjaren 2005 tot en met 2009, 2012 en 2014 tot en met 2019 niet zijn beoordeeld.

De Commissie stelt voorop dat op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht compensatie kan worden toegekend aan een aanvrager van KOT. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de herbeoordeling betrekking heeft op de toeslagjaren waarin door de belanghebbende KOT is aangevraagd, dan wel waarin door B/T een beschikking inzake KOT is genomen. Zie ECLI:NL:RBROT:2024:13134, r.o. 3.6.

De Commissie stelt vast dat belanghebbende in de toeslagjaren 2005 tot en met 2009, 2012 en 2014 tot en met 2019 geen aanvraag KOT heeft ingediend en dat evenmin voor die jaren beschikkingen met betrekking tot KOT zijn genomen.

Volgens beleid van UHT, zoals neergelegd in paragraaf 3.1.5 van het Handboek IB- en Vaktechniek, kan in uitzonderlijke gevallen toch recht op compensatie vanwege vooringenomen handelen bestaan in een jaar waarin geen KOT is aangevraagd, automatisch is gecontinueerd of toegekend. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt daarom naar de opvatting van de Commissie in zoverre niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.

Beslagvrije voet toeslagjaren 2010, 2011 en 2013

Belanghebbende stelt dat B/T in de toeslagjaren 2010, 2011 en 2013 geen rekening heeft gehouden met haar beslagvrije voet en dat daarom sprake is van hardheid van het stelsel.

De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Belanghebbende stelt dat sprake is geweest van schending van het motiveringsbeginsel.

Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met het door belanghebbende genoemde algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand

Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor deze bezwaarprocedure. Nu het bezwaar volgens de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, ongegrond is komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie aan UHT om:

  • het bezwaar tegen het bestreden besluit van 22 december 2022 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en het besluit in stand te laten;
  • geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter