Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13683

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 29 juni 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 11 september 2025

Overdracht advies aan UHT: 14 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 29 juni 2023.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 29.272 voor de jaren 2007, 2009 en 2010. Dit bedrag is op grond van de “Catshuisregeling” aangevuld tot € 30.000. Er is geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de jaren 2008 en 2011 tot en met 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 7 maart 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2014. Na overleg met belanghebbende heeft UHT ook de jaren 2007 en 2008 herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij besluit van 8 mei 2021 met kenmerk UHT-B DMB2, aan belanghebbende medegedeeld dat hij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000 (Catshuisregeling).
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 februari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat artikel 2.1, eerste lid van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2008 en 2011 tot en met 2014
  • UHT heeft op 22 maart 2023 bij vooraankondiging met het kenmerk UHT-VCH aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van € 28.177. Omdat er al € 30.000 op grond van de “Catshuisregeling” was uitgekeerd, is de compensatie niet meer uitbetaald.
  • UHT heeft op 29 juni 2023 bij het bestreden definitieve besluit, met kenmerk UHT-DCH, aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van € 29.272 voor de jaren 2007, 2009 en 2010. Omdat er al € 30.000 op grond van de “Catshuisregeling” was uitgekeerd, is de compensatie niet meer uitbetaald.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 1 augustus 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 3 april 2024, ingekomen op 3 april 2024, het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 25 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift en de aanvulling daarvan.
  • Op 11 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 14 januari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 20 januari 2026 op gereageerd.
  • De Commissie heeft UHT op 27 januari 2026 verzocht om op een tweetal punten in de reactie van gemachtigde nog nader in te gaan. UHT heeft op 9 maart 2026 hierop inhoudelijk gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT

Belanghebbende verzoekt de Commissie advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen gevolgen van het overschrijden van de voor UHT geldende (beslis)termijnen.

De Commissie gaat aan dit verzoek voorbij, nu de door UHT gehanteerde termijnen van beslissen buiten het kader van haar bevoegdheden vallen als bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit Bezwaarschriftenadviescommissie Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken en hardheid van het toeslagenstelsel.

Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat hij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat hij niet de beschikking heeft over zijn persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, die volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.

Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is op 27 februari 2025 naar gemachtigde gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten.

Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt dan ook ongegrond.

Motivering van de beschikking

Belanghebbende stelt dat UHT onvoldoende helder en begrijpelijk aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt hoe de onderdelen van de compensatieberekening zijn opgebouwd. Voorts wil belanghebbende graag toelichting van UHT op de uitgevoerde verrekeningen.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van de besluiten en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De compensatieberekening is vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen en wijzigingsmeldingen van de KOT. Voor zover UHT de bestreden beschikkingen bij het uitbrengen niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van oordeel dat, met het indienen van de schriftelijke beschouwing met daarin per relevant toeslagjaar een toelichting voorzien van producties, de bestreden besluiten voldoende zijn onderbouwd. Gelet hierop adviseert de Commissie UHT de bezwaren ten aanzien van dit punt ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.

De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist.

Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.

Werkelijke schade

Belanghebbende voert aan dat hij meer schade heeft geleden dan waarvoor aan hem compensatie is toegekend. De Commissie overweegt als volgt.

Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Gedupeerde ouders, die vinden dat zij meer schade hebben geleden door de problemen met de KOT dan zij in de Integrale Beoordeling (IB) vergoed hebben gekregen, kunnen zich aanmelden bij een nieuw digitaal informatie- en Aanmeldportaal, via de website schadeherstel.toeslagen.nl.

Niet toegekende KOT

Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen.

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS aan de hand van forfaitaire compensatie. De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Informatie uit de KOI-viewer

Belanghebbende stelt dat de B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen.

De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Registratie KOI

Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.

Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Bezwaarprocedures

Belanghebbende heeft aangevoerd dat voor alle jaren waarin bezwaar tegen beslissingen van B/T werd ingediend en waarin op die bezwaren geen beslissing op bezwaar is genomen, vooringenomenheid dient te worden vastgesteld.

De Commissie stelt vast dat belanghebbende zijn stelling niet heeft onderbouwd door enkele verwijzing naar bezwaren die hij in de door UHT onderzochte jaren zou hebben ingediend. Tegen deze achtergrond kan het bezwaar op dit punt niet slagen.

FSV-lijst

De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken. De Commissie adviseert UHT wel met klem om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.

O/GS

Gemachtigde stelt dat de vaststelling dat er geen sprake is geweest van een kwalificatie Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS), door UHT onvoldoende is onderbouwd. UHT heeft, onder verwijzing naar productie 1300001, geconcludeerd dat er geen sprake is geweest van een onterecht kwalificatie O/GS.

De Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Discriminatie

Belanghebbende voert aan dat uit het RKT-bestand blijkt dat hij in het toezichtsysteem was opgenomen, maar daarvan nooit in kennis is gesteld. Voorts verwijst belanghebbende met een link naar een publicatie van het College voor de Rechten van de Mens. Uit onderzoek zou blijken dat mensen van buitenlandse komaf aanzienlijk vaker werden geselecteerd voor toezicht werden gesignaleerd dan personen met een Nederlandse achtergrond. Volgens belanghebbende is hij daarom gediscrimineerd.

Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, is de Commissie uit de ter beschikking staande stukken, de tijdens de hoorzitting gebleken feiten en omstandigheden en uit de schriftelijke beschouwing van UHT onvoldoende gebleken. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

De toeslagjaren

In aanvulling op de hiervoor besproken algemene bezwaargronden, heeft belanghebbende ook per toeslagjaar bezwaren naar voren gebracht.

Het toeslagjaar 2007

Aan belanghebbende is voor het toeslagjaar 2007 compensatie toegekend. Zakelijk samengevat stelt belanghebbende dat in het bezwaardossier stukken ontbreken die aan controle op de juistheid van de hoogte van de toegekende compensatie in de weg staan. Het betreft de definitieve beschikking over het jaar 2007, stukken met betrekking tot een bezwaarprocedure die door belanghebbende is doorlopen en een jaaropgave over 2007. Ook heeft UHT bij de opstelling van de compensatieberekening, in de visie van belanghebbende, geen acht geslagen op verrekeningen van KOT met andere toeslagen.

Uit de schriftelijke reactie van UHT volgt dat de definitieve beschikking over het jaar 2007 en gegevens met betrekking tot de bezwaarprocedure waaraan belanghebbende in zijn aanvullend bezwaarschrift heeft gerefereerd, voorhanden zijn. Met betrekking tot de bezwaarprocedure is hier relevant dat de KOT van belanghebbende als gevolg van zijn bezwaar opwaarts is bijgesteld. Uit de betaal-en verrekenoverzichten die zich in het bezwaardossier bevinden, volgt dat er geen verrekeningen met andere toeslagen hebben plaatsgevonden, maar dat door belanghebbende aan B/T te betalen bedragen zijn afgeboekt. De jaaropgave 2007 is niet door B/T gearchiveerd en daardoor niet meer voorhanden.

Met UHT is de Commissie van oordeel dat de door belanghebbende opgeworpen bezwaren niet kunnen slagen. Aan belanghebbende is compensatie toegekend omdat de brieven, waarmee belanghebbende zou zijn aangeschreven voordat zijn KOT op nihil werd gesteld, niet langer voorhanden zijn. Dat sprake zou zijn geweest van non-respons aan de kant van belanghebbende kon daardoor niet door UHT worden vastgesteld.

Behoudens de jaaropgave voor het jaar 2007 zijn de stukken die volgens belanghebbende in het bezwaardossier zouden ontbreken (inmiddels) voorhanden. De vorderingen van B/T op belanghebbende die waren ontstaan als gevolg van de nihilstelling, zijn kwijtgescholden en niet ingevorderd. Nadat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de nihilstelling is de KOT herzien. De nihilstelling is ongedaan gemaakt en aan belanghebbende is opnieuw KOT toegekend. Tegen deze achtergrond stelt de Commissie vast dat geen sprake is geweest van meer of ander vooringenomen handelen of bijzonder hard optreden van de B/T jegens belanghebbende behoudens de nihilstelling van de KOT.

Aan het ontbreken van de jaaropgave verbindt de Commissie geen conclusies die tot wijziging van het bestreden besluit dienen te leiden. Een door belanghebbende aan B/T toegezonden jaaropgave kan van invloed zijn geweest op de vaststelling van de aan hem bij definitieve beschikking toe te kennen KOT. Indien en voor zover die KOT onjuist zou zijn vastgesteld, had het op de weg van belanghebbende gelegen daartegen bezwaar te maken. Zoals hierboven reeds aan de orde kwam, is de Wht bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Het toeslagjaar 2008

Ten aanzien van het toeslagjaar 2008 is aan belanghebbende bij het bestreden besluit geen compensatie toegekend. In zijn aanvullende bezwaarschrift stelt belanghebbende dat er sprake zou zijn geweest van thematisch toezicht, maar dat niet duidelijk is gemaakt wat de aanleiding voor dit toezicht is geweest. Tevens ontbreekt bij belanghebbende het overzicht wat aan hem nu over het toeslagjaar 2008 aan KOT is toegekend omdat er met latere toeslagjaren, te weten 2011, 2012 en 2013 is verrekend. Belanghebbende stelt vooringenomen te zijn behandeld doordat de KOT over 2008 werd geblokkeerd. Tot slot merkt belanghebbende op dat ook de jaaropgave 2008 ontbreekt.

UHT heeft toegelicht dat belanghebbende ten onrechte uit het RKT-overzicht afleidt dat hij onder thematisch toezicht zou zijn gesteld en aldus vooringenomen zou zijn behandeld. Belanghebbende is, aldus UHT, ook anderszins niet vooringenomen behandeld nu er bij de vaststelling van de KOT voor het toeslagjaar 2008 alleen reguliere wijzigingen hebben plaatsgevonden. Nu minder dan € 1.500 van belanghebbende is teruggevorderd, kan evenmin worden gesteld dat belanghebbende in aanmerking komt voor toepassing van de hardheidsregeling. De ontbrekende jaaropgave is inmiddels aan het bezwaardossier toegevoegd.

De Commissie kan UHT volgen in haar oordeel en voegt daar het volgende aan toe. Uit de definitieve berekening KOT 2008 volgt welk bedrag belanghebbende aan KOT voor dat toeslagjaar is toegekend. Het verrekenen van terechte terugvorderingen levert geen compensatie op grond van hardheid op. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt ook niet expliciet door de wetgever genoemd. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Het toeslagjaar 2009

Ook ten aanzien van het toeslagjaar 2009 is het belanghebbende onduidelijk wat hem aan KOT is toegekend. Tevens klaagt belanghebbende dat blijkens het betaal-en verrekenoverzicht meerdere betalingen zijn verricht zonder omschrijving. Tenslotte wijst belanghebbende er op dat de jaaropgave 2009 zich niet in het bezwaardossier bevindt.

De Commissie stelt vast dat aan belanghebbende desgevraagd een toelichting is verschaft met betrekking tot betalingen die zijn vermeld op het betaal- en verrekenoverzicht. De Commissie merkt op dat uit de definitieve berekening KOT 2009 volgt welk bedrag belanghebbende aan KOT voor dat toeslagjaar is toegekend. Uit het betaal- en verrekenoverzicht volgt verder dat ten aanzien van het jaar 2009 geen verrekening van KOT met andere toeslagen heeft plaatsgevonden.

Aan het ontbreken van de jaaropgave verbindt de Commissie om redenen zoals hierboven uiteengezet geen conclusies die tot wijziging van het bestreden besluit dienen te leiden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Het toeslagjaar 2010

In zijn bezwaarschrift heeft belanghebbende naar voren gebracht dat hem ook ten aanzien van het toeslagjaar 2010 onduidelijk wat hem aan KOT is toegekend en dat de jaaropgave over dit jaar ontbreekt. Belanghebbende stelt vooringenomen te zijn behandeld omdat de KOT die B/T van hem terugvorderde is verrekend. Tevens stelt belanghebbende dat hem aanvullende compensatie dient te worden geboden op grond van de hardheidsregeling vanwege de verrekeningen die B/T heeft uitgevoerd.

UHT heeft vastgesteld dat aan belanghebbende compensatie is toegekend omdat de brieven, waarmee belanghebbende zou zijn aangeschreven voordat zijn KOT op nihil werd gesteld, niet langer voorhanden zijn. Dat sprake zou zijn geweest van non-respons aan de kant van belanghebbende kan daardoor niet door UHT worden vastgesteld. Uit het dossier blijkt ook dat belanghebbende indertijd bezwaar heeft gemaakt tegen deze nihilstelling. Daarbij heeft belanghebbende aan de hand van stukken zijn recht op KOT aangetoond. De nihilstelling is bij de beslissing op het bezwaar ongedaan gemaakt en de KOT is vastgesteld aan de hand van de door belanghebbende bij bezwaar aan de B/T toegestuurde stukken. In de bezwaarprocedure heeft belanghebbende professionele rechtsbijstand gehad. Namens belanghebbende heeft de rechtsbijstandverlener ook bezwaar gemaakt tegen de te late beslissing op zijn eerste bezwaar. Daarvoor heeft belanghebbende blijkens het informatie- en beoordelingsformulier nogmaals gebruik gemaakt van een professioneel rechtsbijstandverlener. De Commissie adviseert UHT tegen deze achtergrond het bezwaar van belanghebbende op dit punt gegrond te verklaren en belanghebbende een vergoeding voor de kosten van deze juridische hulp te geven.

Aan het ontbreken van de jaaropgave verbindt de Commissie om redenen zoals hierboven uiteengezet geen conclusies die tot wijziging van het bestreden besluit dienen te leiden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Voor het toeslagjaar 2010 is belanghebbende op grond van vooringenomenheid volledig gecompenseerd. Daarom is er geen recht op de hardheidregeling. De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.

Het toeslagjaar 2011

Belanghebbende heeft naar voren gebracht dat hem ook ten aanzien van het toeslagjaar 2010 onduidelijk wat hem aan KOT is toegekend. Tevens klaagt belanghebbende dat blijkens het betaal-en verrekenoverzicht meerdere betalingen zijn verricht zonder omschrijving en dat de jaaropgave over dit jaar ontbreekt.

De Commissie merkt op dat uit de definitieve berekening KOT 2011 volgt welk bedrag belanghebbende aan KOT voor dat toeslagjaar is toegekend. Het verrekenen van terechte terugvorderingen levert geen compensatie op grond van hardheid op. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder.

Een door belanghebbende aan B/T toegezonden jaaropgave kan van invloed zijn geweest op de vaststelling van de aan hem bij definitieve beschikking toe te kennen KOT. Indien en voor zover die KOT onjuist zou zijn vastgesteld, had het op de weg van belanghebbende gelegen om daartegen toen bezwaar te maken. Zoals hierboven reeds aan de orde kwam, is de Wht bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Het toeslagjaar 2012

De Commissie heeft met instemming kennis genomen van het voornemen van UHT om belanghebbende te compenseren op grond van vooringenomenheid. Tussen partijen stond al vast dat B/T de KOT van belanghebbende op 21 april 2014 had stopgezet zonder dat belanghebbende behoorlijk in de gelegenheid was gesteld zijn recht op KOT aan te tonen. Uit de stukken die UHT na de hoorzitting in deze bezwaarprocedure heeft ingebracht volgt dat belanghebbende recht had op KOT omdat sprake was van co-ouderschap. Nu uit de gegevens die zijn opgenomen in de KOI-viewer volgt dat belanghebbende kinderopvang heeft afgenomen in de maanden januari tot en met maart 2012, kan de Commissie het standpunt van UHT dat de compensatie wegens vooringenomenheid tot deze periode dient te worden beperkt volgen. De Commissie adviseert UHT het bezwaar van belanghebbende, dat hij voor het gehele jaar 2012 dient te worden gecompenseerd, nu door belanghebbende op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat door hem in de maanden april tot en met december 2012 wel kinderopvang is afgenomen, af te wijzen.

Het toeslagjaar 2013

Belanghebbende stelt dat ten aanzien van het toeslagjaar 2013 onduidelijk is wat hem aan KOT is toegekend. Tevens merkt belanghebbende op dat blijkens het betaal-en verrekenoverzicht aanmaningskosten en een dwangbevel zijn verrekend, dat betalingen zijn verricht zonder omschrijving en dat de jaaropgave over dit jaar ontbreekt.

De Commissie merkt op dat uit de definitieve berekening KOT 2013 volgt welk bedrag belanghebbende aan KOT voor dat toeslagjaar is toegekend. Verder stelt de Commissie met UHT aan de hand van het betaal- en verrekenoverzicht vast dat geen  aanmanings-of herinneringskosten zijn verrekend. Evenmin blijkt dat een dwangbevel is verrekend. Uit het betaal-en verrekenoverzicht kan wel worden opgemaakt dat de betaling waarachter geen rekeningnummer staat vermeld een betaling betreft die door belanghebbende aan B/T is gedaan. Aan het ontbreken van de jaaropgave verbindt de Commissie ook hier geen conclusies die tot wijziging van het bestreden besluit zouden kunnen leiden. Een door belanghebbende aan B/T toegezonden jaaropgave kan van invloed zijn geweest op de vaststelling van de aan hem bij definitieve beschikking toe te kennen KOT. Indien en voor zover die KOT onjuist zou zijn vastgesteld, had het op de weg van belanghebbende gelegen om daartegen toen bezwaar te maken. Zoals hierboven reeds aan de orde kwam, is de Wht bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. De beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Het toeslagjaar 2014

Belanghebbende stelt dat hij de KOT in 2014 niet heeft stopgezet. Hij stelt zich op het standpunt dat de B/T hem, door de KOT stop te zetten, vooringenomen heeft behandeld.

Anders dan gemachtigde leidt de Commissie uit productie 79 af dat belanghebbende de KOT voor het toeslagjaar zelf heeft stopgezet. In de KOI-viewer zijn geen gegevens opgenomen met betrekking tot kinderopvang in 2014. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat er in 2014 geregistreerde kinderopvang heeft plaatsgevonden. Evenmin blijkt dat belanghebbende, toen hem geen KOT werd toegekend en uitgekeerd, tegen die beslissing toen bezwaar heeft gemaakt of opnieuw KOT heeft aangevraagd. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

De compensatieberekening: component n (immateriële schade), component o (toeslagrente) en component p (1%)

Naar aanleiding van de klacht van belanghebbende dat de compensatieberekening voor hem niet begrijpelijk is, heeft UHT de compensatieberekening nader toegelicht en op onderdelen herzien. UHT heeft in de bij haar schriftelijke reactie gevoegde herziene compensatieberekening toegelicht dat de componenten m, n, o en p van die berekening zullen worden aangepast. De oorzaak daarvan is gelegen in een toekenning van een vergoeding voor de kosten van juridische hulp en een wijziging van de einddatum van de berekening van de rentevergoeding voor gemiste KOT. Als gevolg van deze aanpassingen zal de vergoeding voor immateriële schade worden berekend tot de datum van de beslissing op bezwaar en dient de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal te worden verhoogd.

De Commissie heeft met instemming kennisgenomen van de voorgenomen wijzigingen. De Commissie beveelt UHT aan deze wijzigingen tezamen met het hierboven gegeven advies over de vergoeding van juridische kosten voor het toeslagjaar 2010 bij de beslissing op bezwaar door te voeren.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Gelet het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om:

het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren, de beschikking te herroepen en met inachtneming van dit advies te beslissen dat:

  • aan belanghebbende aanvullende compensatie wordt verleend wegens vooringenomenheid over de periode januari tot en met maart 2012;
  • voor de toeslagjaren 2009 en 2010 een vergoeding wordt toegekend voor de kosten van juridische hulp (component m);
  • de rentevergoeding voor gemiste KOT (component o) over de toeslagjaren 2007, 2009 en 2010 berekend zal worden tot aan de juiste einddatum;
  • de vergoeding voor immateriële schade (component n) berekend zal worden tot aan de datum van de beslissing op bezwaar en in het verlengde daarvan de aanvullende vergoeding van 1 procent van het subtotaal van het compensatiebedrag (component p) aangepast zal worden;
  • een proceskostenvergoeding wordt toegekend voor deze bezwaarprocedure.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter