Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16028

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 1 juli 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 4 maart 2026

Overdracht advies aan UHT: 13 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 1 juli 2024 met kenmerk UHT-DCHOA (hierna: de bestreden beschikking).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012, 2013 en 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 15 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2014. UHT heeft de jaren 2012 tot en met 2014 herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij beschikkingen van 16 december 2021 en 31 augustus 2023 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • Bij vooraankondiging van 10 mei 2024 heeft UHT aan belanghebbende meegedeeld dat de voorlopige beslissing is dat zij geen recht heeft op een herstelregeling voor de jaren 2012, 2013 en 2014.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 juni 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2012, 2013 en 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 juli 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 15 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 19 en 25 februari 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
  • Op 4 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 26 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 7 april 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. De Commissie stelt vast dat enkel nog de jaren 2012 en 2014 in geschil zijn.

Toeslagjaar 2012

Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vooringenomen heeft gehandeld bij de financiële afwikkeling van de KOT door de uitbetaling van het bedrag van €1.067,- aan de kinderopvanginstelling en terugvordering van het bedrag van €1.174,- bij belanghebbende.

In de aanvullende beschouwing van 26 maart 2026 heeft UHT hierover nadere uitleg gegeven en zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vooringenomen handelen of hardheid. Hierop is namens belanghebbende niet nader gereageerd. De Commissie gaat er daarom vanuit dat de nadere uitleg de gewenste duidelijkheid heeft opgeleverd. De Commissie ziet geen aanknopingspunten om te adviseren dat sprake is geweest van vooringenomenheid of hardheid.

Toeslagjaar 2014

Belanghebbende vraagt zich af waarom de periode 22 januari 2014 tot 1 februari 2014 ontbreekt in de toekenning van de KOT nu de KOT pas is stopgezet met ingang van 1 februari 2014.

UHT stelt in de aanvullende beschouwing van 26 maart 2026 dat sprake is van meerdere doorgegeven stopzettingen; zowel per 22 januari 2014 (productie 2700019) als daarna per 1 februari 2014 (productie 2700020). Het erop lijkt dat B/T dit niet conform het verzoek van belanghebbende heeft verwerkt. Dit levert echter geen vooringenomen handelen op.

Hierop is namens belanghebbende niet nader gereageerd. De Commissie gaat er daarom vanuit dat de nadere uitleg de gewenste duidelijkheid heeft opgeleverd. De Commissie ziet geen aanknopingspunten om te adviseren dat sprake is geweest van vooringenomenheid of hardheid.

O/GS-tegemoetkoming

Belanghebbende betoogt dat zij in aanmerking dient te komen voor een O/GS-tegemoetkoming. Zij stelt dat zij ten onrechte als fraudeur is aangemerkt. Zij verzoekt UHT om de op de zaak betrekking hebbende stukken met betrekking tot de O/GS-kwalificatie te overleggen en verwijst naar wat haar partner, [naam] heeft verklaard tijdens het gesprek met de persoonlijk zaakbehandelaar.

Op de hoorzitting is namens belanghebbende nog gewezen op het moeten betalen van het bedrag van €1.071,- op 21 maart 2013 over toeslagjaar 2012.

Met betrekking tot het verzoek de onderliggende stukken van de O/GS-beoordeling te overleggen stelt UHT in de aanvullende beschouwing van 26 maart 2026 dat een gerichte zoekopdracht is uitgezet en dat daaruit blijkt dat er geen stukken zijn aangetroffen die zien op de O/GS-vaststelling (productie 2700016).

In de reactie van 7 april 2026 is namens belanghebbende betoogd dat UHT nog steeds onvoldoende heeft onderbouwd dat geen sprake zou zijn van O/GS, onder verwijzing naar diverse Memo’s van Dienst Toeslagen, Afdeling Vaktechniek. Uit de Memo van 18 september 2025 blijkt dat UHT bepaalde stukken niet verstrekt, terwijl juist uit die stukken zou moeten blijken of wel of geen sprake is van O/GS. Hierdoor is voor belanghebbende nog steeds niet controleerbaar op welke argumentatie UHT het oordeel baseert dat geen O/GS-kwalificatie aan de orde was.

De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.6 lid 1 Wht de Dienst Toeslagen aan een aanvrager van KOT op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toekent indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de KOT heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de KOT.

De Commissie stelt vast dat zich in het dossier een stuk bevindt met als conclusie dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van O/GS (productie 1300001).

In het dossier ziet de Commissie geen aanknopingspunten dat B/T belanghebbende een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling heeft geweigerd voor de jaren 2012, 2013 of 2014. Naar aanleiding van de verwijzing naar toeslagjaar 2012 op de hoorzitting overweegt de Commissie als volgt. Uit het LIC-overzicht 2012 (productie 2800003) leidt de Commissie af dat belanghebbende de bedragen die zij terug heeft moeten betalen grotendeels in één keer heeft betaald (€1.074,- en €105,-). Daarnaast is nog een bedrag van €55,- betaald. Verder is een bedrag van €6,- afgeboekt op het lopende KOT-jaar en een bedrag van €40,- is verrekend met KOT 2013.

Over 2012 lijkt er daarom geen aanleiding te zijn geweest om een persoonlijke betalingsregeling aan te vragen.

In dat licht bezien, bestaan op voorhand geen aanknopingspunten dat UHT ten onrechte een O/GS-tegemoetkoming aan belanghebbende heeft geweigerd.

Met betrekking tot het verzoek van belanghebbende om de onderliggende stukken O/GS over te leggen overweegt de Commissie als volgt. Gelet op de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) dient UHT standaard en actief inzage geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545.

Deze onderliggende stukken ontbreken in dit geval.

De Commissie adviseert UHT om, voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter