BAC 2023-12909
Publicatiedatum 12-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 14 februari 2023 UHT-DH A
Hoorzitting: 29 september 2025 en 16 maart 2026
Overdracht advies aan UHT: 13 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 7 juni 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 31 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft vastgesteld dat op naam van belanghebbende nooit KOT is aangevraagd, terwijl ook geen kinderopvangtoeslag aan hem is toegekend of van hem is teruggevorderd. De CvW heeft geen aanwijzingen gevonden voor de veronderstelling dat de gegevens van Belastingdienst/Toeslagen onjuist of onvolledig zijn. Zij heeft geconcludeerd dat er op basis van de aanwezige stukken geen aanleiding is om belanghebbende een compensatie toe te kennen op basis van de Wht.
- UHT heeft bij het bestreden besluit (de uitkomst van de integrale beoordeling) aan belanghebbende meegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie.
- Belanghebbende heeft bij brief van 28 maart 2023, ingekomen op 28 maart 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 28 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Bij brief van 5 augustus 2025 heeft de Commissie aan belanghebbende bericht dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken lijkt te volgen dat hij nooit KOT heeft aangevraagd en dat ten opzichte van hem ook nooit KOT is toegekend, teruggevorderd of verrekend.
- Bij diezelfde brief heeft de Commissie aan belanghebbende bericht dat de Commissie vooralsnog vindt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat zij het plan heeft gebruik te maken van haar bevoegdheid om te adviseren zonder hem te horen. Voor het geval dat belanghebbende het daarmee oneens zou zijn, is hij bij diezelfde brief in de gelegenheid gesteld om gemotiveerd te laten weten waarom een hoorzitting wel aan de orde zou zijn.
- Belanghebbende heeft bij e-mail van 15 augustus 2025 op deze brief gereageerd.
- Bij brief van 21 augustus 2025 heeft de Commissie aan belanghebbende bericht dat hij alsnog wordt uitgenodigd voor een hoorzitting.
- Bij e-mail van 19 september 2025 heeft belanghebbende vijf producties aan de Commissie gestuurd. Hij heeft, voor zover nodig, op 29 september 2025 de vijfde productie nagestuurd.
- Op 29 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd. Belanghebbende heeft tijdens de zitting het woord gevoerd mede aan de hand van een schriftelijk stuk dat als bijlage aan het verslag is gehecht.
- Aan het einde van de hoorzitting is afgesproken dat UHT een nadere beschouwing zal inzenden. UHT heeft hieraan gevolg gegeven door de inzending van een stuk dat is gedateerd op 8 oktober 2025.
- De Commissie heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld te reageren op deze nadere beschouwing. Na enige tijd heeft hij de Commissie meegedeeld dat hij een advocaat zal zoeken die als zijn gemachtigde kan optreden. De secretaris van de Commissie heeft meermalen schriftelijk en telefonisch contact met belanghebbende opgenomen om te vragen naar de stand van zaken. Daarop heeft de Commissie aan belanghebbende bij herhaling uitstel gegeven voor het insturen van een reactie op die beschouwing. Nadat zij aan belanghebbende daarvoor een laatste termijn had gegeven, heeft de Commissie vastgesteld dat belanghebbende daarvan geen gebruik heeft gemaakt.
- Bij de voorbereiding van het door haar uit te brengen advies is de Commissie gestuit op enkele vragen. Dit heeft haar reden gegeven voor het houden van een tweede hoorzitting. Met een e-mailbericht van 16 februari 2026 van de secretaris heeft zij de beide partijen hiervoor uitgenodigd. In dit bericht heeft de Commissie tevens vragen aan elk van de partijen opgenomen.
- Met een bericht van 26 februari 2026 heeft UHT de aan haar gestelde vragen beantwoord.
- Op 16 maart 2026 heeft de tweede hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag opgemaakt, dat eveneens achter dit advies is gevoegd.
- Tijdens de hoorzitting heeft UHT toegezegd enkele stukken te zullen nazenden. Dit is gebeurd met een e-mailbericht van 17 maart 2026. Nu dit stukken zijn die – zoals belanghebbende tijdens de hoorzitting heeft verklaard – aan hem bekend zijn en op de zitting ook al inhoudelijk waren besproken, heeft de Commissie ervan afgezien belanghebbende in de gelegenheid te stellen daarop nog te reageren.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet ter discussie staat dat het bezwaar ontvankelijk is.
Vaststaande feiten (voor zover relevant)
- Op naam van belanghebbende is nooit KOT aangevraagd. Ook is er nooit KOT aan hem toegekend.
- KOT is wel aangevraagd door de vroegere partner van belanghebbende. Zij wordt hierna aangeduid als de ex-partner. Belanghebbende en de ex-partner zijn niet met elkaar getrouwd geweest en hadden ook geen samenlevingscontract. Samen hebben zij de kinderen op wie de aanvraag voor KOT betrekking had. De kinderen zijn geboren in 2007 respectievelijk 2010.
- De ex-partner heeft op haar naam KOT ontvangen. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de B/T) heeft, ook op haar naam, KOT teruggevorderd.
- Belanghebbende en de ex-partner zijn uit elkaar gegaan. Hun relatie is gecompliceerd.
- Op enig moment heeft UHT de ex-partner als gedupeerde aangemerkt. Aan haar is op grond van de zogenoemde Catshuisregeling een bedrag van € 30.000 uitbetaald. Ook voor de kinderen zijn vergoedingen uitgekeerd. Belanghebbende is daarbij niet betrokken geweest. Hij is pas later bekend geraakt met deze betalingen.
- Aan belanghebbende zijn de op deze (dat wil zeggen: zijn) zaak betrekking hebbende stukken verstrekt.
- Uit het door belanghebbende overgelegde bankafschrift blijkt dat op 25 april 2016 diverse geldbedragen zijn overgemaakt naar de B/T. Uit het afschrift blijkt niet (zonder meer) dat deze betalingen verband houden met terugvorderingen van de KOT.
- Belanghebbende heeft zich op 4 december 2024 aangemeld voor een uitkering op basis van de ex-toeslagpartnerregeling, die intussen in de artikelen 2.14g en volgende van de Wht is opgenomen. UHT heeft met een beschikking van 22 oktober 2025 beslist dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie volgens deze regeling. De beschikking houdt in dat in zijn geval niet is voldaan aan een van de daarvoor geldende voorwaarden, te weten dat hij en zijn ex-toeslagpartner uit elkaar zijn gegaan voordat zijn ex-toeslagpartner een compensatiebedrag (d.w.z. de eerder genoemde uitkering van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, toevoeging Commissie) kreeg. Aan het slot van deze beschikking is vermeld dat belanghebbende – afgezien van de mogelijkheid van uitzonderingen – een termijn van zestien weken vanaf de datum van de beschikking heeft om hiertegen bezwaar te maken. Ten tijde van de tweede hoorzitting had belanghebbende nog geen bezwaar ingediend.
De kern van de zaak
Het standpunt van UHT
Het bestreden besluit houdt in dat belanghebbende op eigen naam geen aanspraak heeft op compensatie op grond van de Wht doordat hij zelf geen aanvrager van KOT is geweest, en hem dus ook nooit KOT is toegekend, terwijl van hem (op eigen naam) ook geen KOT is teruggevorderd. Afgezien daarvan stelt UHT dat belanghebbende ook niet, op zijn naam, recht heeft op compensatie op grond van de ex-toeslagpartnerregeling. Zij verwijst hiervoor naar de genoemde beschikking van 22 oktober 2025. Volgens haar kan in deze bezwaarprocedure de toepassing van de ex-toeslagpartnerregeling overigens niet worden beoordeeld.
Het standpunt van belanghebbende
Hiertegenover voert belanghebbende, samengevat, het volgende aan. Hij is degene geweest die de terugvorderingen heeft voldaan. Dit heeft hem grote inspanningen gekost, met ingrijpende gevolgen voor zijn bestaan, zowel qua gezondheid als financieel. De hoogte van de KOT was mede afgestemd op zijn inkomen. Hij acht het heel onrechtvaardig dat de ex-partner als gedupeerde van de toeslagenaffaire is aangemerkt, terwijl de terugvorderingen bij hem hebben plaatsgevonden. Hij heeft ook nadeel ondervonden van de afwijzing van zijn verzoeken om een gunstiger betalingsregeling. Er werd een betalingsregeling van € 1.500 per maand opgelegd, omdat zijn inkomen werd samengevoegd met dat van de ex-partner. Hij meent dat hij om al deze redenen in aanmerking komt voor compensatie. Tegen de beschikking over de toepassing van de ex-toeslagpartnerregeling heeft hij niet afzonderlijk bezwaar gemaakt, omdat de Commissie in deze bezwaarprocedure de kwestie van de ex-toeslagpartnerregeling aan de orde had gesteld en hij ervan is uitgegaan dat zijn bezwaar tegen die beschikking werd samengevoegd bij het bezwaar dat nu centraal staat.
Belanghebbende heeft tevens verzocht om zijn volledige dossier.
De overwegingen van de Commissie die tot dit advies hebben geleid
De Commissie moet advies uitbrengen over de vraag of UHT terecht en op goede gronden het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming heeft afgewezen. De Commissie zal hierbij onderscheid maken tussen de kwestie die aan de orde is in het bezwaarschrift van 28 maart 2023 en de toepassing van de (later in werking getreden) ex-partnerregeling.
De op de zaak betrekking hebbende stukken
De Commissie heeft geen aanwijzingen voor de veronderstelling dat aan belanghebbende niet alle op zijn zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Zij gaat daarvan dus uit, met de aantekening dat dit alleen zijn positie als aanvrager van KOT betreft. Het staat vast dat hij zelf nooit KOT heeft aangevraagd. Zijn daarop betrekking hebbende dossier is dus uiterst summier. Gegeven dit uitgangspunt stelt de Commissie vast dat in dit geval is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting van het bestuursorgaan (hier dus UHT) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor heeft belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit.
De toets aan artikel 2.1 lid 1 Wht
Op grond van artikel 2.1 lid 1 van de Wht kan aan een aanvrager van KOT compensatie worden toegekend als hij of zij schade heeft geleden doordat de B/T institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of als de hardheid van de toepassing van de wetten en regels heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard. Zoasl eerder is vermeld, is niet in geschil dat belanghebbende zelf, op zijn eigen naam, nooit KOT heeft aangevraagd. Alleen al hierdoor heeft hij geen aanspraak op enige compensatie op basis van artikel 2.1 lid 1 van de Wht. Dit artikel kent immers – onder nadere voorwaarden – alleen aan een aanvrager recht op compensatie toe. En belanghebbende is geen aanvrager.
Hardheidsclausule
In artikel 9.1 lid 1 van de Wht is een hardheidsclausule opgenomen. Op grond daarvan kan UHT afwijken van artikel 2.1 lid 1 van de Wht, voor zover toepassing van het desbetreffende artikel, gelet op doel of strekking ervan, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op toekenning van compensatie. De Commissie ziet geen grond voor toepassing van deze hardheidsclausule. Doorslaggevend daarvoor is dat UHT wel degelijk een compensatie ten bedrage van € 30.000 heeft toegekend. De wetgever heeft niet gewild dat – onder welke bijzonderheden omstandigheden ook – voor ex-partners tweemaal een zelfde compensatie wordt uitgekeerd. De eventuele onderlinge verdeling of verrekening van het uitgekeerde bedrag is een zaak van de ex-partners samen. De Commissie heeft oog voor het gegeven dat belanghebbende in zijn omstandigheden deze uitkomst als hoogst onrechtvaardig ervaart, maar het staat haar niet vrij om voorbij te gaan aan deze bedoeling van de wetgever.
Ten overvloede: de toepassing van de ex-toeslagpartnerregeling
Algemeen
De Commissie komt niet toe aan de vraag of de ex-toeslagpartnerregeling in het geval van belanghebbende van toepassing is. Op grond van artikel 3 van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen heeft de Commissie niet tot taak te adviseren over bezwaren tegen beschikkingen die zijn genomen op grond van afdeling 2.3 van de Wht. De ex-toeslagpartnerregeling is opgenomen in deze afdeling en valt daarmee buiten de reikwijdte van de Commissie. Niettemin wijdt de Commissie enkele woorden aan deze regeling. Het gaat hierbij om twee aspecten: (1) de ontvankelijkheid van een eventueel alsnog door belanghebbende in te dienen bezwaar tegen de beschikking van 22 oktober 2025 en (2) de inhoudelijke kant van deze beschikking.
De ontvankelijkheid
De Commissie heeft bij de behandeling van het aan haar voorgelegde bezwaar ook van haar kant de mogelijkheid van toepassing van de ex-partnerregeling aan de orde gesteld. Zij heeft daarover vragen aan de beide partijen gesteld. De Commissie deed dit op basis van haar opvatting dat deze regeling mogelijk genoegdoening aan belanghebbende geeft. De Commissie vindt het invoelbaar en begrijpelijk dat belanghebbende daardoor heeft gemeend dat zijn bezwaren tegen de beschikking van 22 oktober 2025 – gegeven op een moment waarop de Commissie vragen daarover had uitstaan – zouden kunnen worden besproken in het kader van deze lopende bezwaarprocedure. De Commissie kan zich voorstellen dat hierin aanleiding wordt gevonden belanghebbende ook na afloop van de bezwaartermijn van zestien weken ontvankelijk te verklaren in een alsnog in te dienen bezwaar tegen de beschikking van 22 oktober 2025. Naar het oordeel van de Commissie kan er reden zijn om aan te nemen – gelet ook op de feiten en omstandigheden rond de behandeling van het bezwaar – dat hier een uitzonderlijke situatie is ontstaan door de problemen bij de KOT. Ter voorkoming van misverstand voegt zij hieraan toe dat zij niet de instantie is die hierover zal adviseren, laat staan beslissen. Deze overwegingen binden de instanties die daarover zullen gaan dus niet.
De inhoudelijke kant
Het tweede hier aan te stippen aspect betreft de inhoudelijke kant van de vraag of belanghebbende recht zou kunnen hebben op compensatie op grond van de ex-toeslagpartnerregeling. Ook deze vraag valt buiten de bevoegdheid van de Commissie. Desondanks veroorlooft zij zich in dit verband enkele opmerkingen. De motivering van UHT in de beschikking van 22 oktober 2025 lijkt niet goed aan te sluiten op de gegevens die in deze bezwaarprocedure zijn komen vast te staan.
Allereerst rijst de vraag naar de uitleg van het begrip “geen partner meer” zijn van de aanvrager, in de zin van het hier relevante artikel 2.14g lid 1, aanhef en onder c, van de Wht. Bij gewezen partners die niet gehuwd waren en geen samenlevingscontract hadden, zal het moeten gaan om een puur feitelijke uitleg. Daarbij verdient opmerking dat belanghebbende tijdens de beide hoorzittingen heeft verklaard dat hij en de ex-partner feitelijk al uit elkaar waren toen zij – buiten zijn medeweten – de compensatie op grond van de Catshuisregeling ontving. In afwachting van het verkrijgen van een eigen woning was de ex-partner in de gemeenschappelijke woning gebleven, maar was hij, belanghebbende, daaruit toen al vertrokken. Dit laat alleszins de mogelijkheid open dat het uiteengaan daarmee al definitief was. In de tweede plaats is onzeker op welke basis in de beschikking van 22 oktober 2025 (met stelligheid) is vermeld dat belanghebbende en de ex-partner uit elkaar zijn gegaan nadat de ex-partner, op 25 februari 2025, het compensatiebedrag heeft gekregen. Hierbij rijst ook de vraag op welke grond UHT kan meedelen dat en wanneer de ex-partner als gedupeerde is aangemerkt en in deze hoedanigheid is gecompenseerd op basis van de Wht. UHT heeft in deze zaak tijdens de eerste hoorzitting verklaard dat zij niet weet of het haar op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming vrijstaat toeslaggegevens over een ander dan de belanghebbende bekend te maken. Het is de Commissie uit eigen wetenschap bekend dat UHT in andere zaken steeds het standpunt inneemt dat zij die vrijheid niet heeft.
Uiteraard binden ook deze opmerkingen de instanties die mogelijk gaan adviseren of beslissen op een bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking van 22 oktober 2025, niet.
Conclusie
De Commissie adviseert UHT het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter