Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14298

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 26 maart 2020 (I-C DRCAF-11 CB 2), 1 februari 2021 (UHT-B ADJ), 21 december 2023 (UHT-DCH CAF 11 NJ).

Hoorzitting: 26 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 13 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden besluiten in stand te laten.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk I-C DRCAF-11 CB 2 als vervangen door de beschikking van 21 december 2023 met kenmerk UHT-DCH CAF 11 NJ.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 31 mei 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2010. De jaren 2012 tot en met 2014 zijn gecompenseerd op basis van groepsgewijs vooringenomen handelen.
  • UHT heeft bij de beschikking van 26 maart 2020 met kenmerk T-C DR CAF-11 CB 2 aan belanghebbende een compensatie van € 13.687 toegekend op basis van groepsgewijze vooringenomenheid over de jaren 2012 tot en met 2014.
  • UHT heeft bij de beschikking van 1 februari 2021 met kenmerk UHT-B ADJ het compensatiebedrag van € 13.687 op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking van 21 december 2023 met kenmerk UHT-DCH CAF 11 NJ een compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2010 en bij deze beschikking het totale compensatiebedrag voor de toeslagjaren 2010, 2012, 2013 en 2014 gebracht op € 34.492.
  • Gemachtigde heeft op 10 september 2023 een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 9 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 25 februari 2026 het bezwaar schriftelijk aangevuld.
  • Op 26 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 4 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 12 maart 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Dossier

De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Voor zover er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. Wat in dit verband verder zij van het door belanghebbende gemaakte bezwaar dat zij ten onrechte niet is uitgenodigd voor een individueel oudergesprek, dit leidt niet tot herroeping van het bestreden besluit. Het bezwaar kan op dit onderdeel niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden.

Stopzettingen KOT 2012 en 2014

Gemachtigde heeft ter zitting namens belanghebbende gesteld dat zij betwist dat zij de KOT over de toeslagjaren 2012 en 2014 zelf heeft stopgezet. De Commissie overweegt als volgt.

Ten aanzien van het toeslagjaar 2012 is sprake van twee stopzettingen van de KOT. Op 23 november 2011 is de KOT stopgezet per 1 januari 2012. Vervolgens is op 28 juni 2012 de KOT stopgezet per 1 september 2012.

Over het toeslagjaar 2014 is – voorafgaand aan de vooringenomen stopzetting vanwege het CAF-11 onderzoek - sprake van één (andere) stopzetting; op 15 januari 2014 is de KOT stopgezet per 1 maart 2014.

Van de respectievelijke stopzettingen in 2012 zijn geen telefoonnotities in het dossier aanwezig. De Commissie acht het niettemin voldoende aannemelijk dat belanghebbende de KOT zelf heeft stopgezet. In het dossier zijn telefonische (TVS) meldingen van de desbetreffende stopzettingen aanwezig. De Commissie ziet geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de informatie zoals blijkend uit deze stukken. De stopzetting in 2014 is elektronisch door belanghebbende doorgegeven, zoals UHT na de zitting heeft aangetoond met prod. 2700023.

De Commissie adviseert het bezwaar ongegrond te verklaren. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.

De hoogte van de compensatieberekening

Belanghebbende betwist dat UHT de compensatieberekening over de toeslagjaren 2010, 2012, 2013 en 2014 voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. De Commissie overweegt als volgt.

Ten aanzien van het toeslagjaar 2010 is blijkens de voorhanden zijnde stukken sprake van één neerwaartse correctie in de KOT van € 7.244 naar € 0. Deze neerwaartse wijziging wijt UHT aan een vooringenomen handeling. Dit is het bedrag dat in de compensatieberekening onder component c (de toeslag die u niet hebt gekregen of die u moest terugbetalen) is opgenomen. De Commissie ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het compensatiebedrag van het toeslagjaar 2010

Over het toeslagjaar 2012 is de neerwaartse wijziging van 8 mei 2013, waarin de KOT van € 5.782 op nihil werd gesteld, door UHT als (groepsgewijs) vooringenomen aangemerkt. Voorafgaand aan de gecompenseerde beschikking zijn nog eerdere beschikkingen afgegeven. De Commissie acht het niet aannemelijk dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT ten aanzien van deze eerdere beschikkingen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De Commissie ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het compensatiebedrag van het toeslagjaar 2012.

Voor wat betreft het toeslagjaar 2013 is belanghebbende blijkens de in het dossier voorhanden zijnde stukken gecompenseerd voor het gehele toeslagjaar. De neerwaartse correctie van 10 april 2015 van € 3.140 naar € 0 is door UHT als (groepsgewijs) vooringenomen aangemerkt. Dit is het bedrag dat in de compensatieberekening onder component c (de toeslag die u niet hebt gekregen of die u moest terugbetalen) is opgenomen. Er zijn voorafgaand aan de desbetreffende neerwaartse beschikking geen hogere beschikkingen afgegeven. De Commissie ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het compensatiebedrag van het toeslagjaar 2013.

Ten slotte is over het toeslagjaar 2014 de neerwaartse wijziging van € 523 naar € 0 door UHT als (groepsgewijs) vooringenomen aangemerkt. Voorafgaand aan de gecompenseerde beschikking zijn nog eerdere beschikkingen afgegeven. De Commissie acht het niet aannemelijk dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2014 nog anderszins sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De Commissie ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het compensatiebedrag van het toeslagjaar 2014.

UHT heeft in de bijlage compensatieberekening van haar schriftelijke beschouwing van 9 juli 2025 opgemerkt dat de componenten g en o onjuist en in het voordeel van belanghebbende verkeerd zijn berekend. De Commissie adviseert de compensatieberekening op deze onderdelen - met inachtneming van het verbod van reformatio in peius dat bepaalt dat een belanghebbende niet slechter mag worden van het eigen bezwaar – in stand te laten. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

O/GS

De Commissie overweegt dat in de onderhavige procedure de (wijze van) vaststelling dat sprake was van O/GS aan de orde is geweest. Belanghebbende heeft gesteld dat zij deze constatering nader toegelicht wil hebben met onderbouwende stukken.

De Commissie acht het onvoldoende dat door UHT uitsluitend wordt verwezen naar productie 1300001 in het dossier, waarin slechts de vaststelling ‘geen O/GS’ te lezen is en niet hoe dit is vastgesteld. De Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen.

Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de bestreden besluiten in stand kunnen blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden besluiten in stand te laten.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter