BAC 2023-12620
Publicatiedatum 09-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 26 januari 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 24 februari 2026
Overdracht advies aan UHT: 20 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 26 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHA (hierna: de bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 tot en met 2015.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 2 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2015.
- UHT heeft bij beschikking van 26 april 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, als bedoeld in de Catshuisregeling.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2013 tot en met 2015.
- Belanghebbende heeft bij brief van 10 maart 2023, ingekomen op 13 maart 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 24 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Per stelbrief van 11 november 2025 heeft gemachtigde zich gemeld als de vertegenwoordiger van belanghebbende.
- Op 24 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 3 maart 2026 een nadere reactie ingediend. UHT heeft daar op 16 maart 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Uit de onderliggende stukken is gebleken dat de KOT van belanghebbende voor het toeslagjaar 2013 niet neerwaarts is bijgesteld. Ten aanzien van de toeslagjaren 2014 en 2015 is de KOT wel neerwaarts bijgesteld. Uit de stukken komt naar voren dat belanghebbende in die jaren een toeslagpartner had die geen baan had. Voor de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) was dit aanleiding om de KOT neerwaarts bij te stellen omdat daardoor geen recht op KOT bestond.
Tijdens de hoorzitting, gehouden op 24 februari 2026, heeft belanghebbende verklaard dat zij de relatie met haar voormalige partner destijds had beëindigd en dat deze vanaf dat moment niet langer op haar adres woonde. Volgens belanghebbende weigerde haar voormalige partner zich vervolgens van haar adres uit te schrijven bij de Basisregistratie Personen (hierna: BRP). Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat er geen sprake was van een toeslagpartner, zodat de neerwaartse bijstellingen van de KOT en de daarmee samenhangende terugvorderingen onterecht zijn.
De Commissie overweegt dat de definitieve beschikkingen KOT voor de toeslagjaren 2014 en 2015 in rechte vaststaan, nu belanghebbende daartegen destijds geen bezwaar heeft gemaakt. Voorts is de Commissie van oordeel dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in die jaren geen sprake was van een toeslagpartner. Nu de voormalige partner in de BRP stond ingeschreven op het woonadres van belanghebbende en voldeed aan de wettelijke criteria voor toeslagpartnerschap, mocht B/T ervan uitgaan dat belanghebbende een toeslagpartner had. In dat geval is niet voldaan aan de voorwaarden voor KOT en heeft B/T naar aanleiding daarvan de KOT neerwaarts bijgesteld. Volgens de Commissie is niet gebleken dat B/T daarbij institutioneel vooringenomen heeft gehandeld.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te oordelen dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2013 tot en met 2015 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2014 en 2015 waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is naar aanleiding van reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Daarbij merkt de Commissie op dat belanghebbende geen stukken heeft overgelegd waaruit aannemelijk is geworden dat in de jaren 2014 of 2015 geen sprake meer was van een toeslagpartner. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om een vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter