BAC 2025-15533
Publicatiedatum 13-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 10 januari 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 13 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening over toeslagjaar 2013 conform de aanvullende beschouwing van 2 januari 2026 aan te passen, alsnog aan belanghebbende een compensatie op grond van vooringenomenheid over toeslagjaar 2014 toe te kennen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €4.232,- voor het jaar 2013. Dit bedrag is op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot €30.000,-.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 21 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 en 2012. UHT heeft het jaar 2013 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 21 juni 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 7 december 2023 aan belanghebbende een compensatie vastgesteld voor een bedrag van €4.224,- .
- UHT heeft bij het bestreden besluit van 10 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €4.232,- voor het jaar 2013. Dit bedrag is op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot €30.000,-.
- Gemachtigde heeft bij brief van 19 februari 2024 een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 11 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 oktober 2025 het bezwaar aangevuld.
- Op 23 oktober 2025 heeft gemachtigde aan de Commissie gemeld dat belanghebbende geen gebruik maakt van de mogelijkheid het bezwaar op een hoorzitting toe te lichten. De Commissie ziet daarom op grond van artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende.
- Gemachtigde heeft op 16 december 2025 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 2 januari 2026 een aanvullende beschouwing met aanvullende producties ingediend.
- Op 21 januari 2026 heeft belanghebbende op de aanvullende beschouwing van 2 januari 2026 gereageerd.
- De Commissie acht zich gelet op het voorgaande voldoende geïnformeerd om tot een advies te komen.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2013 op de juiste wijze heeft vastgesteld.
Op de zaak betrekking hebbende stukken en het persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het persoonlijk dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De beschouwing van UHT en de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
Toeslagjaar 2013
Belanghebbende is het niet eens met de compensatieberekening over toeslagjaar 2013. Specifiek is belanghebbende het niet eens met de wijze waarop de vergoeding voor immateriële schade is berekend. In de aanvullende gronden van 16 december 2025 heeft belanghebbende gesteld dat de opvangkosten onjuist zijn berekend en dat de berekening opnieuw vastgesteld dient te worden.
In de aanvullende beschouwing van 2 januari 2026 erkent UHT dat de opvangkosten over januari 2013 onjuist zijn berekend en vastgesteld hadden moeten worden over de periode van 1 tot en met 29 januari 2013. Op basis daarvan bedragen de kosten €850,-, terwijl €2.474,- aan de KOI is betaald.
UHT stelt de compensatie in het kader van de KOT-naar-KOI-situatie daarom vast op €1.624,- en zal dit in de beslissing op bezwaar aanpassen. Deze wijziging werkt door in de materiële schade, toeslagrente en aanvullende vergoeding, en leidt tevens tot een herberekening van de immateriële schade.
Voor het meerdere, waaronder het volledig teruggevorderde bedrag van €1.810,-, bestaat volgens UHT geen grond voor compensatie.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis.
Met betrekking tot de vraag of sprake is van vooringenomenheid over toeslagjaar 2013, stelt UHT zich op het standpunt dat sprake is van reguliere wijzigingen. Daarom heeft belanghebbende geen recht op compensatie op grond van vooringenomenheid.
Belanghebbende heeft reeds een hardheidscompensatie ontvangen. Van een O/GS-kwalificatie is geen sprake, derhalve heeft belanghebbende geen recht op een O/GS-tegemoetkoming.
Belanghebbende betoogt in de aanvullende gronden van 16 december 2025 dat zij de KOT niet zelf heeft stopgezet en de verklaring het ouderverhaal niet klopt. UHT stelt zich op het standpunt dat belanghebbende de KOT per 30 januari 2013 wel zelf heeft stopgezet, zoals volgt uit het ouderverhaal (producties 0300001 en 0300002). Indien belanghebbende thans stelt dat dit niet juist is, dient zij deze afwijking aannemelijk te maken. Volgens UHT bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de opvang na januari 2013 is voortgezet, nu geen bezwaar is ingediend en pas op 16 december 2014 opnieuw KOT is aangevraagd met ingang van 16 september 2014 (productie 2700052).
De Commissie overweegt hierover als volgt.
De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2013 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dit vloeide voort uit de stopzetting van de KOT op 6 februari 2013 met ingang van 30 januari 2013 (productie 2700006) en het hoger vastgestelde toetsingsinkomen (productie 1213003). Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2013 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. Voornoemde bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Tegen de stopzetting is destijds geen bezwaar gemaakt en pas veel later is opnieuw KOT aangevraagd. Het ouderverhaal sluit aan bij deze informatie. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om in het geval van belanghebbende op dit punt tot vooringenomenheid te concluderen. De Commissie merkt voorts op dat belanghebbende voor 2013 is gecompenseerd op grond van hardheid.
Reeds op deze grond bestaat gelet op artikel 2.6 van de Wht geen grond voor tegemoetkoming wegens O/GS. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Alsnog herbeoordeling jaren 2005 tot en met 2012 en 2014 tot en met 2019
De Commissie stelt vast dat de jaren 2005 tot en met 2012 en 2014 tot en met 2019 in een eerder stadium niet zijn beoordeeld en om die reden geen onderdeel uit maakten van het oorspronkelijke bezwaar. Inmiddels zijn deze jaren alsnog inhoudelijk beoordeeld en heeft ten aanzien daarvan schriftelijk hoor en wederhoor plaatsgevonden.
In de aanvullende beschouwing van 2 januari 2026 stelt UHT dat belanghebbende in de jaren 2005 tot en met 2011 en 2016 tot en met 2019 geen KOT heeft aangevraagd of gekregen. Dit blijkt uit het aanvraagoverzicht
(productie 0900001). Er is over deze jaren ook geen opvang geregistreerd in de KOI-viewer (producties 2800008 tot en met 2800012 en 2800046 tot en met 2800049). Belanghebbende heeft volgens UHT daarom geen recht op een herstelregeling voor deze jaren.
De Commissie concludeert over de jaren 2005 tot en met 2011 en 2016 tot en met 2019 dat nu uit de stukken niet blijkt en ook niet op een andere manier aannemelijk is geworden dat belanghebbende over die jaren KOT heeft aangevraagd of daarover beschikkingen zijn gegeven, voor die jaren geen beroep op de Wht kan worden gedaan. De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
De overige toeslagjaren 2012, 2014 en 2015 worden hieronder behandeld.
Reguliere bijstellingen in toeslagjaren 2012 en 2015
Met betrekking tot toeslagjaren 2012 en 2015 stelt UHT zich op het standpunt dat de KOT is verlaagd op basis van reguliere wijzigingen die door belanghebbende zijn ingediend. Daarom is geen sprake van vooringenomen handelen.
Volgens belanghebbende is de hoogte van de KOT in 2012 niet juist berekend, gelet op de totale kosten voor de kinderopvang zoals deze volgen uit de jaaropgaaf en het relatief lage inkomen van belanghebbende. Verder meent belanghebbende dat de verlaging op 6 januari 2015 te laat was. Tot slot meent belanghebbende dat de toegepaste verrekeningen vooringenomen waren.
De Commissie overweegt als volgt. De Wht heeft niet tot doel eerdere onherroepelijke beslissingen te herzien. De aangevoerde punten geven geen aanknopingspunt om te oordelen dat sprake is geweest van vooringenomenheid, als bedoeld in de Wht. Daarbij ging het in 2012 om een aanpassing van de afgenomen uren uit de door belanghebbende ingestuurde jaaropgaven (productie 2800021) en een verhoging van het toetsingsinkomen.
Over 2015 heeft belanghebbende gesteld dat het automatische voorschot te laat is vastgesteld en dat onduidelijk is wie de meldingen heeft gedaan en waarom zoveel wijzigingen in het toetsingsinkomen hebben plaatsgevonden. UHT heeft in de aanvullende beschouwing toegelicht dat de wijzigingen in 2015 volgen uit doorgegeven wijzigingen. Het ging om de stopzetting van de KOT per 26 maart 2015 voor het oudste kind en de voortzetting van de KOT vanaf 30 maart 2015 voor het tweede kind met een hoog uurtarief (producties 2800054 tot en met 2800057). Daarnaast was het toetsingsinkomen meermaals verhoogd. Vervolgens heeft belanghebbende nogmaals de KOT stopgezet per 23 juli 2015 (productie 2800061) en is het toetsingsinkomen verhoogd (producties 2800040 en 2800042).
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor 2015 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
Er heeft ook geen terugvordering of verlaging van €1.500,- of meer plaatsgevonden. De Commissie heeft evenals belanghebbende kennis genomen van de wijzigingen in toetsingsinkomen maar er zijn in alle voorhanden gegevens geen aanknopingspunten gevonden om daarin vooringenomenheid te zien. Er was geen onterechte kwalificatie O/GS en in het LIC-overzicht is evenmin aanleiding te vinden voor zodanige kwalificatie. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Alsnog compensatie over toeslagjaar 2014 wegens vooringenomen handelen
In de aanvullende beschouwing stelt UHT zich op het standpunt dat de verlaging van de KOT in dit jaar is gebaseerd op een aanpassing van het toetsingsinkomen (productie 2800030).
Met betrekking tot toeslagjaar 2014 stelt de Commissie vast dat uit de nadere beschouwing van 2 januari 2026 volgt dat op 16 december 2014 opnieuw KOT is aangevraagd met ingang van 16 september 2014 (pagina 397 van het nieuwe dossier). Hoewel gemachtigde in haar e-mail van 21 januari 2026 heeft aangevoerd dat de aanvraag niet in het dossier zou zijn opgenomen, stelt de Commissie vast dat deze aanvraag wel degelijk uit het dossier blijkt, nu deze in de tijdlijn is vermeld (pagina’s 266 en 397 van het nieuwe dossier).
Voorts heeft gemachtigde aangevoerd dat de KOT over 2014 is toegekend voor de periode van 16 september 2014 tot en met 31 december 2014 (pagina 267 van het nieuwe dossier). Op diezelfde pagina is echter tevens in de KOI-viewer vermeld dat opvang heeft plaatsgevonden vanaf 16 juni 2014. Deze informatie wordt ondersteund door de gegevens op pagina 345 van het nieuwe dossier, waaruit eveneens volgt dat reeds vanaf die datum sprake was van opvang bij de betreffende KOI ([naam] met LRK-nummer: ***).
De Commissie stelt vast dat deze gegevens uit de KOI-viewer afwijken van de bij de B/T bekende gegevens. Niet is gebleken dat destijds nader onderzoek is verricht naar deze discrepantie, terwijl daartoe, gelet op de beschikbare informatie, wel aanleiding bestond.
Gelet hierop is de Commissie van oordeel dat op de B/T de plicht rustte om nadere informatie op te vragen. Nu dit is nagelaten, acht de Commissie sprake van vooringenomen handelen ten aanzien van het toeslagjaar 2014. De Commissie adviseert aan UHT om alsnog een compensatie op grond van vooringenomenheid aan belanghebbende toe te kennen.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.
Onderliggende stukken FSV en O/GS
Belanghebbende heeft verzocht om de onderliggende stukken van de FSV-check en O/GS-toets. De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst (productie 1400001).
Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken.
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing, onder verwijzing naar een aanvullende productie, toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. De Commissie constateert dat de onderliggende stukken hoe deze vaststelling O/GS tot stand is gekomen ontbreken. De informatie op grond waarvan B/T heeft vastgesteld of belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie, maakt onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. B/T moet daarbij toelichten welke gegevensbronnen zijn geraadpleegd. Als de beoordeling van B/T (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over de belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet B/T die vaststelling onderbouwen door bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Naar het oordeel van de Commissie kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld hoe de conclusie is getrokken dat er wel of geen sprake is van O/GS. B/T heeft onvoldoende toegelicht in welke systemen is gezocht en welke resultaten daarin zijn aangetroffen. Nu deze stukken in het dossier ontbreken, kan niet worden vastgesteld dat B/T de benodigde kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard en berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. De Commissie verwijst hierbij mede naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545 en de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 708, nr. 68). In zoverre slaagt de bezwaargrond.
Aan UHT wordt geadviseerd voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
Werkelijk geleden schade
Belanghebbende stelt dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. Hoewel de Commissie dit betreurt, overweegt zij dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld op https://schadeherstel.toeslagen.nl.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (bezwaarschrift zonder hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- de compensatieberekening over toeslagjaar 2013 conform de aanvullende beschouwing aan te passen;
- alsnog een compensatie toe te kennen voor toeslagjaar 2014;
- de motivering betreffende de O/GS kwalificatie aan te vullen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van één procespunt met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter